Bedenkingen, mijmeringen, oprispingen.

zondag 30 juni 2013

HAIKU



                                     Iedere ochtend
                                     gaan de rolstoelpatiënten
                                     de benen strekken

ZUSJE


Je vraagt je af of je met een naam als Rosamund een bestseller kunt schrijven met internationale allures. Wel Rosamund Lupton deed dat met ‘Zusje’ (De Boekerij). De belangrijkste personages zijn Beatrice, de oudere zus die in Amerika woont, en Tess die vijf jaar jonger is en die nog in Engeland woont en vermist is. Roept Rosamund een ietwat liefdesromanachtige sfeer bij je op, dan is je vergissing zeer groot. Zoals op het omslag staat is dit een van die zeldzame boeken op het snijvlak van crimefictie en litteratuur – géén litteraire thriller dus.

‘Zusje’ is crimefictie, juist, maar ook het verhaal van een familie, ook het verhaal van rouwverwerking “Toen ik je haarlok zag, wist ik dat rouw liefde is die is veranderd in een eeuwig gemis.” en ook de passage op de begraafplaats waar een personage bedenkt dat de herinneringen aan de overledene van alle aanwezigen samen waarschijnlijk een volledig beeld van haar geven.

Het einde dooft lichtjes uit, maar ‘Zusje’ is 100 procent het lezen waard.

zaterdag 22 juni 2013

All kinds of everything remind me of you


In aanloop tot onze vakantie las ik ‘De kip die over de soep vloog’ (vijftiende druk, oktober 1990) van de nu reeds totaal vergeten Frans Pointl, een erfenis uit de bibliotheek van onze dochter. Deze verhalenbundel vertelt met de nodige humor over een van de meest gruwelijke periodes voor het joodse deel van de wereldbevolking. En zie, er zijn vergelijkingen te vinden met de kinderen van de collaboratie. Na de oorlog spraken de joodse mensen voortdurend over hun niet teruggekeerde familie en vrienden, de kinderen van de collaboratie deden dat eveneens, alleen kwamen de meeste van die familieleden en vrienden als ze al dan niet aan het Oostfront hadden gevochten, wel terug uit hun gevangenschap. Een manke vergelijking? Inderdaad, maar voor die kinderen niet en ik kan het weten.

Het eerste boek dat ik las tijdens mijn vakantie (woensdag 19 juni) was de prachtig verzorgde gebonden uitgave van ‘Perdida’s droom’ (2010) van Patrick Conrad. Was er maar meer aandacht besteed aan wat er tussen de mooie band zit.

Een goede corrector zou fouten hebben gevonden als
Just a gigolo Perry Como = er is er maar één die er de top mee bereikte en dat is Louis Prima
Zij leidt van lijden
Niet echt vlijend van vleien
Stuyvenberg als het Stuivenberg moet zijn
Leuze (dat) moet die zijn
Pallieterke –café De Pallieter

Maar vooral werd er een fout gemaakt wat betreft het speelgoedbeertje ‘one eyed jack’ dat deze naam volgens getuigenverklaringen van spelers in het boek al zou hebben meegekregen vooraleer hij een oog verloor.

Apart van dat is ‘Perdida’s droom’ een sterke roman noir die je meesleurt doorheen het leven van een privédetective die probeert het verleden van een aan geheugenverlies lijdende jonge vrouw te reconstrueren, en dat brengt hem en de lezer vele verrassingen. Ook moet gezegd dat Conrad een meester is in het beschrijven van droomsequenties.
Een zichzelf roman noir noemende literaire thriller maar ook een sleutelroman, waarin een (niet bestaand) café op de hoek van de Antwerpse Perenstraat wordt aangehaald en waar het hoofdpersonage met de naar bed verlangende uitbater een gesprekje heeft en die wil liever een pornoromannetje gaan lezen (woon ik toevallig in de Perenstraat en heb porno geschreven en uitgegeven). En zo zullen er nogal wat mensen zichzelf herkennen.

De tweede vakantiedag (donderdag 20 juni) nemen we een uitgebreid ontbijt. In de gelegenheid, Amadeus (Oostduinkerke-Bad) zitten al een aantal klanten en enigen van hen zitten al hun tweede of derde biertje – het is acht in de morgen. Naast de ingang staat een kooi met een roodstaartpapegaai die lustig fluit en verhalen vertelt. Die van onze dochter Soetkin deed dat nooit, daarvoor was hij te zenuwachtig, maar iedereen werd zenuwachtig in haar bijzijn, hij plukte zichzelf kaal en stierf veel te jong (net als onze dochter trouwens) en zij liet hem cremeren en zijn as bewaarde ze in een piepkleine urne, net zoals de as van al haar overleden dieren – Soetkin kon van niets of niemand afscheid nemen: kapotte radio’s, kapotte sinds lang uit de mode zijnde televisies, kapotte bromfietsen, kapotte fietsen, noem het maar en wij vonden het in haar huis. Op de radio horen we dat Black Sabbath een nummer één hit heeft, dat zou Soetkin waarschijnlijk tot de uitspraak ‘Punk is not a fashion, Punk is a lifestyle’ hebben geïnspireerd.

Tegen de middag aan begin ik aan ‘Duvelstoejager’ (1989) van Charles Bukowski (in een sterke vertaling van Diederik van den Abeele) – jammer dat de rugtekstschrijver Henry Chinaski in Henri verandert. Ook al geërfd van dochter Soetkin, een Bukowski die nog niet in mijn kast stond.
Aan de hand van de door het leger afgekeurde zuipschuit Chinaski – een man van dertien stielen en veertien ongelukken die te lui is om te werken - wordt een beeld geschetst van het onverschillige Amerika, dat enkel bevolkt lijkt met vol gescheten onderbroeken, met door kotsbedekte neuk grage lijntrekkende mannen en vrouwen die doen alsof W.O. II niet bestaat, en die dan boos zijn wanneer de oorlog gedaan is en de teruggekeerde soldaten hun luizige baantjes inpikken.

Op mijn iPod hoor ik Memphis Minnie ‘I’m Bad Luck Woman, I Can’t See the Reason Why’ zingen en het is alsof ik Soetkin voor de zoveelste maal hoor zeggen ‘ik ben stront en zal waarschijnlijk altijd stront blijven’.

Vrijdag 21 juni brengt ‘Tango assassino’ (2013) een thriller van Patrick Conrad. Vooreerst enkele opmerkingen van over het hoofdgeziene zaken:
Lange Kievitstraat wordt ergens De Kievitstraat
Scheerde zich (alle onregelmatige werkwoorden worden tegenwoordig gemakshalve regelmatig, maar ik ben toch liever geschoren dan gescheerd)
Bulken en barsten (bulten)
Wit-zwarte foto’s
In de oorlog verscheen Signaal en niet Het signaal.

Foutief gebruik van verlof en vakantie

Toch opletten wanneer je een rugtekst schrijft, deze vermeldt: wanneer de oude man vermoord wordt teruggevonden – terwijl we in het boek tot pagina 94 moeten wachten om hem terug te vinden.

Maar het moet gezegd, Conrad levert weer een goedgeschreven, hoewel voor een lezer van thrillers iets te doorzichtig plot af en deze maal zijn de droomsequenties beperkt gebleven en heeft de tango en al zijn geheimen de plaats van de dromen ingenomen.

donderdag 13 juni 2013

DE WILHELM SCREAM IS NIET ZOMAAR EEN KREET


Je kunt zeggen wat je wil, je hebt hem gehoord. Je denkt misschien dat je hem niet hebt gehoord, maar je hebt hem gehoord en niet één keer maar vele keren: een doordringende, wanhopige en pijnlijk voor de oren klinkende weeklacht die je verschrikt doet opkijken omdat je wil weten wie deze niet te beschrijven horror moet ondergaan.

Niettegenstaande de kreet zijn naam kreeg naar de eerste maal dat hij werd gebruikt, namelijk in ‘Charge at Feather River’ (1953), waarin een personage met de naam Private Wilhelm een pijl in zijn bil krijgt en vertwijfeld een kreet slaakt, was hij – de kreet dus - oorspronkelijk bedoeld om te dienen in de twee jaar oudere film ‘Distant Drums’ (1951), een film met Gary Cooper naar een
verhaal van Niven Busch en hij kreeg het label “man die gebeten wordt door een alligator” mee, maar werd niet gebruikt.

 Een geluidseffecten man die mede instond voor de post-productie, nam diverse pogingen op, maar de supervisor gaf ze allemaal een onvoldoende. De nu beruchte kreet was de derde poging en dat in antwoord op “No, no, not, an ‘Ow’ – a real scream of pain.”

Dit geluidseffect werd ontelbare malen in vele films doorheen de jaren heen gebruikt – voorwaarts, achterwaarts, als homage of als parodie, en blijft een van de meest geliefde en kenmerkende filmtrivia die er bestaan.
Hierna laten we enkele voorbeeldige voorbeelden volgen die we ons blijvend blijven herinneren.

Indiana Jones and the Temple of Doom

Aan het eind van de film, gedurende het beslissend treffen tussen Indy en de verwerpelijke Mula Ram, slaat Indy de verachtelijke sekteleider neer en die valt in het water, waar een handvol hongerige alligators om hun prooi vechten. Het is waarschijnlijk ook de eerste keer dat de kreet werd gebruikt zoals hij oorspronkelijk was bedoeld.

Batman The Dark Knight


Er zijn weinig mensen die van clowns houden, velen hebben zelfs een jeugdtrauma aan clowns overgehouden en vinden een clown gewoon evil. Het zijn dezen die Batman zullen toejuichen omdat hij hen van deze boze droom vol kakelende clowns heeft verlost en de clown heeft gegeven wat hem toekomt en tegelijk Wilhelm nog eens de kans gaf om ons duidelijk te maken dat het echt pijn deed.

Them!

Geen enkele man houdt ervan om een trap tegen zijn scrotum te krijgen, laat dat duidelijk zijn. Wat iedere man je kan vertellen is dat je wel gek moet zijn om net zoals Mel Gibson in ‘The Passion of The Christ’ de vreselijkste pijnen te doorstaan en toch... is dat vergelijkbaar met de pijn die je kan ondergaan als je te snel op een harde plastic stoel gaat zitten? In 1954, jaren voor de kreet bewust in gebruik werd genomen, was het geluidssupervisor Francis J. Schied die niet alleen inzag dat de verschrikking van opgegeten te worden door een reusachtige spin (kreet) niet zo erg is als dat je weke delen verbrijzeld worden door tentakels (Wilhelm kreet).

Howard The Duck

Ben Burtt die vier Oscars won en nog eens zes maal genomineerd werd, kreeg wereldbekendheid met zijn geluidseffecten voor de Star Wars en Indiana Jones’ films, en dat heeft hij mede te danken aan het gebruik van de Wilhelm scream. Hij is waarschijnlijk de man die het best begreep wat de kreet inhield, omdat de Wilhelm kreet meestal ook het laatste is wat je uitbrengt. Ook in de verfilming van de surrealistische ‘Howard the Duck’ had hij de hand en het is wanneer enkele vrienden na een dagje jacht en visvangst plotseling worden aangevallen door een enorme eend dat er maar één kreet mogelijk is: de Wilhelm kreet!

maandag 3 juni 2013

DOOR DE STAD DWEILEN


Gisteren, zondag, liep ik even met echtgenote Nadine mee naar het huis van onze overleden dochter, Soetkin,, waar Nadine bezig is met het opruimen van het verleden van diezelfde dochter, die er blijkbaar in was geslaagd om dat verleden onder een laag stof te bewaren die nog groter was dan de stofwolken die je in een televisiereclame het huis ziet uitmarcheren nadat er een swiffer is overgegaan.

Ik houd het daar geen vijf minuten uit en ik bewonder Nadine steeds dat zij dat wel kan, maar ze zeggen dat vrouwen praktischer zijn. Ik besloot even langs Els te gaan, Els die Soetkin als leerling had in het eerste studiejaar, sprak op Soetkins begrafenis en ik wilde haar er nog eens om bedanken. Niet thuis, dan maar de tram genomen richting vogelenmarkt. Karakollen gegeten bij Ferdi Vandeloo en vervolgens een broodpudding gekocht, die op opat terwijl ik richting plantentuin aan de Leopoldstraat liep. Na even mijmeren aan het stromende water liep ik het Elzenveld op.
Het was sinds de dood van Soetkin dat ik de twee spoken van Albert Szukalski niet meer had bezocht, terwijl dat toch onderdeel is van mijn wekelijkse dweiltocht, ja door de stad dweilen en wekelijks de verschillen zien, had ik de laatste maand verwaarloosd. Op de steen voor het beeld van Maurice Gilliams lag een vrouw op een dekentje te luisteren naar haar man/vriend die een geweldige Gilliams fan bleek en haar voorlas uit ‘Elias of het gevecht met de nachtegalen’, althans dat vermoed ik, het was in elk geval proza.
Ik liep verder en sprak even met de spoken die ik steeds vereenzelvig met Albert en ik betrapte me erop dat ik dat luidop deed. Ik zei hem dat hij, wanneer hij Soetkin eventueel moest tegenkomen in de wereld waarvan ik het bestaan ontken, dat hij met haar wel een goed gesprek kon hebben. In ieder geval op niveau.
Terwijl ik langs het terras van de Boer van Tienen liep, zag ik een verkeersbord dat me vertelde dat de Begijnenstraat afgesloten was, nu sloten ze in die straat niet alleen de mensen op, maar ook nog af, je kunt je dus vergissen. Ik was in het Vleminckveld toen ik plotseling een gevoel van eenzaamheid over me voelde komen, even wist ik zelfs niet meer hoe ik daar gekomen was. Ik bleef een tijdje stilstaan en begon aan een reconstructie, wat me uiteindelijk wel lukte. In de Schoytestraat ontdekte ik – terwijl ik toch regelmatig die straat neem – voor het eerst het Lode Sebrechtsparkje. Even op een bank tussen het groen dacht ik na over Lode die maar liefst 96 is geworden. Ik leerde hem kennen toen ik nog voor uitgeverij Libra van Gust Konings werkte.
Op het Sint-Andriesplein was er een sportdag aan de gang en ik merkte hoe alleen je kunt zijn te midden van zo’n grote groep mensen. In Het Heilig Huisken dronk ik een koude Cecemel – chocomelk is mijn en was Soetkins lievelingsdrank, terwijl denkend aan Soetkin en me afvragend waarom ik nog rondloop terwijl zij er niet meer is.