Bedenkingen, mijmeringen, oprispingen.

zondag 31 augustus 2014

EEN FRAGMENT



De slotenmaker en twee politievrouwen die duidelijk problemen met hun gewicht hadden, stonden al te wachten toen Belloc arriveerde. Belloc drukte op het belletje van de huisbewaarder en toen die de intercom gebruikte, meldde Belloc zich aan.

Een minuutje later, na het beklimmen van een spiraalvormige trap, stonden ze voor de deur van appartement 3 en kwam de slotenmaker er aan te pas. Die maakte korte metten met het slot en enkele seconden later konden ze naar binnen.
Een kleine donkere hal met rechts een petieterige badkamer gaf uit op de deur van de leefkamer. Er stond een
voorhistorische televisie, nog met een binnenhuisantenne, een klein glazen tafeltje met enkele glazen erop en kringen van glazen die waren voorgegaan, een zitmeubel dat betere tijden had gekend, een dressoir die vermoedelijk van het Leger des Heils kwam, enkele boeken schappen die voor de helft leeg waren en waarvoor dozen waren opgestapeld en er stonden her en der foto’s van mensen in de klederdracht van het begin van de twintigste eeuw, waarvan Belloc vermoedde dat het foto’s van de heer Krom zijn ouders of grootouders waren.
Belloc keek in de bovenste doos en nam er enkele boeken uit met een omslag en een titel die er niet om loog: Seks en dokters van ene Stephen Everly, De belevenissen van een gouvernante van ene James Benton Richardson en die lagen bovenop een stapeltje sexy-westerns, allemaal geschreven door Winchester Starkin, met suggestieve titels zoals: ‘Heetleren broeken’, Het hoerenleger, Het lekkerste van Sally en Klamme Jane. Hij legde alles mooi terug en sloot de doos. Hij keek even in het schap en las enkele titels en auteursnamen die in volledige tegenstelling stonden met wat hij zojuist zag: enkele boeken van Freud, Filosofische beschouwingen: over ethiek, esthetica, psychoanalyse, geloof en antropologie van Wittgenstein, Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden? van Rudolf Steiner, De mens en zijn symbolen van Carl Gustav Jung, Het Nieuwe Testament en diverse werken over de godsdiensten van de wereld, enkele over vrijmetselarij en diverse vertaalwoordenboeken.
Er stonden ook een paar romans en vooral De toverberg van Thomas Mann viel hem op. “Er zijn er dus nog die zich er doorheen hebben geworsteld,’ bedacht hij toen hij het boek vast nam en zag dat het meermaals was gelezen. Waar hij wel van had genoten was de trilogie van Staf Schoeters over de Napoleontische tijd, die tegelijkertijd de geschiedenis van de vrijmetselarij vormde. Belloc mijmerde even verder en probeerde zich te herinneren hoe iemand van zijn vrienden de drie boeken had samengevat. Toen kwam het: Lotgevallen van Franse en Vlaamse functionarissen, militairen, royalisten, smokkelaars, spionnen en deserteurs in Antwerpen tijdens het bewind van Napoleon.
Er lag ook een stapeltje en Belloc probeerde de ruggen te lezen. Het bovenste boek was: The second tree from the corner van E.B. White. Belloc nam hem uit het schap en bladerde er even in. Het was een verzameling korte verhalen die tussen 1930 en 1950 verschenen. Een post-it zat bij het titelverhaal en toen Belloc de eerste zinnen had gelezen, kwam het hele verhaal terug alsof hij het de voorbije dag nog had gelezen.  Het verhaal van mijnheer Trexler die naar de psychiater gaat en de doctor die hem een serie vragen stelt, waarop Trexler niet wil antwoorden, had hem indertijd erg aangegrepen. Hij noteerde het in zijn geest om het eens te herlezen. Hij legde het boek naast het stapeltje en zag dat het tweede boek The sun also rises van Ernest Hemingway was. Belloc glimlachte, was dit een stapeltje geschreven door en over zuipschuiten? Dat bleek toen hij zag dat het derde boek May Day van F. Scott Fitzgerald was. Belloc had het ooit gelezen en besloot ter plekke er dadelijk naar op zoek te gaan, want het verhaal had hem van de sokken geblazen, vooral de climax. Er lag ook nog Laments for the living  van Dorothy Parker, de vuiltong die de fameuze New Yorkse literaire kring Algonquin Round Table wereldberoemd maakte. Hij herinnerde zich dat Jennifer Jason Leigh haar gestalte gaf in Mrs. Parker and the vicious circle.
De slaapkamer leverde weinig of niets op, maar ook hier kwam de erotische smaak van de bewoner naar voren, met enkele ingelijste reproducties van werk van Felicien Rops, zoals de licht erotische Dimanche à Bougival, Petit modéle en La sieste en Twee meisjes over elkaar liggend van Egon Schiele. De ingelijste tekening van de Sagrada Familia kerk in Barcelona ontlokte hem een wrang lachje. Volgens hem hadden de Engelsen het juiste woord voor het werk van de architect Gaudi, gaudy, wat zoveel betekent als opzichtig of protserig.
Wat hem echter het meest charmeerde was de kleurige poster van een werkje van Niki de St. Phalle. In een blauwe hemel met lichtere, haast kinderlijke sterren, zweeft een half gevleugelde zwarte vrouw, met vierkleurig badpak, met op de plek van haar hart een rood hart op een groen veld in een blauwe cirkel. De vleugel lijkt op de schaar van een grote krab en heeft eveneens bonte kleuren. Hij probeerde zich de titel te herinneren en toen die kwam Half woman, half angel kwamen ook de beelden van de inhuldiging van de Stravinsky-fontein in Parijs hem weer voor de geest. Was het 1982 of 1983 geweest, hij wist het niet meer. Als bewonderaar van Niki de St. Phalle had hij erbij willen zijn toen de fontein werd ingehuldigd. Hoewel ze ook wel de Tinguely-fontein wordt genoemd was het succes voor het grootste part te danken aan de kleurige beelden van diens vrouw Niki. Later, bij zijn thuiskomst, toen hij in een boek met illustraties en schilderijen van Otto Dix bladerde, zag hij de schildering Mondweib en vroeg hij zich af of Niki deze ooit had gezien, want haar Half woman leek wel erg in dezelfde richting te gaan.
Een historische dag was het geworden, want in een Parijs café was hij aan de praat geraakt met een kenner van het verhaal ‘Le Plaid’, het eerste verhaal van een grotere verzameling vossenverhalen: Le Roman de Renart, geschreven door Perrout de Saint Cloude. Omdat Belloc zelf nogal wat met Reinaert bezig was geweest in zijn studententijd, luisterde hij gespannen naar de situering die de man gaf. Hij stelde dat de Reinaert geen fabel was en geen dierenepos, zelfs geen ridderverhaal, maar een soort heiligenleven. Enkel omgekeerd, hij beschouwde het als een rechtstreekse aanval op de adel en de kerk. Hij haalde ook voorbeelden aan, zoals wanneer Isengrim zijn beklag doet bij koning Nobel over hoe Reinaert zijn vrouw zou hebben verkracht en dat twee van zijn kinderen blind zijn omdat Reinaert hen mishandelde en op hun ogen zou hebben gepist en dat ze hierdoor blind zijn. Als je weet dat Jezus een blinde genas en dat een vroege heilige een blinde genas door diens ogen met heilig water te wassen, zei de man, weet je dat je de Reinaert in een ander perspectief moet lezen.
‘Commissaris ben je aan het dromen?’ vroeg een van de politievrouwen.
Dat bracht Belloc terug bij de zaak. Ze toonde hem een grote ronde polshorloge.
‘Kijk wat ik heb gevonden. Een erg eigenaardige wijzerplaat moet ik zeggen.’
Belloc nam het horloge van haar over en bekeek de wijzerplaat. Hij herkende de symbolen van de vrijmetselarij. Hij startte van 12 waar de bijenkorf stond en ging toen verder langs beitel, hamer, koevoet, moker, schootsvel, passer, schietlood, winkelhaak, waterpas, zandloper, gewelf.
Hij glimlachte naar de vrouw, zei dat het niet belangrijk was en liep naar de klerenkast.
Daarin vond hij een koffer helemaal bekleed met segrijn, dat volgens Belloc van haaienhuid was, er werd indertijd ook roggenhuid gebruikt. Hij wist wel van het gebruik van segrijn als bekleding in de 19e eeuw voor schedes van tafelmessen en dat het puur decoratief bedoeld was. In de middeleeuwen had het handvatten van zwaarden gesierd en ook de kolf van wapens. In het interbellum van vorige eeuw, werden in Frankrijk en Engeland vele soorten objecten - waaronder meubelen - bekleed met dit exotische materiaal. Maar een reiskoffer bekleed met segrijn, ook wel eens chagrijn genoemd, had hij nooit van gehoord, en zeker niet gezien.
Hij opende het deksel en zag een pakje dat omwikkeld was met bubbeltjesplastic. Toen hij het pakje openmaakte zag hij dat de heer Krom de bezitter was geweest van een erg waardevol stuk erfgoed, want een van het zuiverste cristallo gemaakte Venetiaanse tazza kwam tevoorschijn, een wijde licht gewelfde ondiepe kelk, prachtig gedecoreerd met beschilderingen in emailleverf in verschillende kleuren, met een stam van verschillende diktes en op een voet. Een brede rand verguldsel versierde de ondiepe kelk. Volgens wat hij kon zien was het glas nog helemaal niet aan de glasziekte toe, wat het een uitzondering op de regel maakte, want glascorrosie had al veel glas van de zestiende eeuw en zelfs later naar de bliksem geholpen.
Belloc concludeerde bij zichzelf dat de man die hier woonde een intelligent iemand was geweest met bijzondere voorkeuren en een filosoof als je de tekst las die boven zijn bed hing: ‘Als vliegen zo veilig is: Waarom noemen ze de aankomsthal op een vliegveld dan ‘TERMINAL’?’
‘Zorgen jullie dat deze troep ergens in een magazijn belandt’ gaf hij de twee dikke dames als opdracht en terwijl hij dit zei wikkelde hij het cristallo terug in zijn verpakking, stak het in de doos, nam de doos op en wendde zich opnieuw tot de vrouwen: ‘Dit neem ik mee naar het bureau, dit is te kostbaar om hier achter te laten,’ zei hij.
‘Baas, één vraagje nog?’, zei een van de politievrouwen. ‘Ik zie daar een boek liggen: De laatste dagen van Pompeï. Aan wat is die gestorven?’
'Aan een uitbarsting,' zei Belloc en liep toen lachend naar buiten.



 

1 opmerking:

  1. Voor wanneer de volledige litteraire misdaadroman?

    BeantwoordenVerwijderen