Bedenkingen, mijmeringen, oprispingen.

zondag 30 juli 2017

HET VERSCHIL VAN DIFFERENTIE



In Londen achtervolgde de politie een zwarte, bij de overmeestering gebeurde er iets dat nog moet uitgezocht worden, de zwarte stierf. Gevolg rellen en nog eens rellen.
Maar wat gebeurt er wanneer een zwarte een andere zwarte neerknalt, knifed en zo meer, wordt er dan ook betoogd door die relmakers?

vrijdag 28 juli 2017

GENDER


Nu de trein gendervriendelijk is geworden, wordt aan deze "beste reiziger" gevraagd om zijn/haar voeten van de bank te halen.


vrijdag 21 juli 2017

FÉDÉRAL.....


A force de chercher et d’essayer de tout, je suis conduit à une idée qui peut-être ne satisfaisant personne, réussirait mieux que les autres : à celle-là du moins il n’y aurait point d’intrigues. Ce serait la formation du Gouvernement fédéral en Belgique, analogue à celui de la Suisse, c'est-à-dire avec une neutralité reconnue ; cela n’est contraire en rien de ce qui constitue précisément ce pays, où la langue, la religion et les mœurs sont différentes dans ses diverses parties. On y est apostolique, grand seigneur, protestant et commerçant. (...)
(Prince de Talleyrand au Général Sebastiani - 16 janvier 1831)


donderdag 20 juli 2017

ONDUIDELIJK


Als ik in een platenzaak een lp zie liggen met als titel AFRICAN ZULU'S roept dat bij mij de vraag op of er nog andere Zulu's zijn.

Als ik aan de deur van een winkel een papiertje zie hangen met de tekst: "Terug in 20 minuten." stel ik me daar vragen bij. "Wanneer zijn die 20 minuten gestart", bijvoorbeeld. "Hoeveel van die 20 minuten zijn er al voorbij", bijvoorbeeld.


vrijdag 14 juli 2017

EEN MELANCHOLISCHE, KAMELEONTISCHE, ERUDIETE LITERAIRE CONSIGLIERE (DEEL 5)



Voor Nic van Bruggen p.p. die 26 jaar geleden van ons heenging en wiens laatste woorden die van Humphrey Bogart konden zijn: “I should never have switched from scotch tot martinis.”

De entourage van Hugo Schiltz is blijkbaar ook nog op zoek naar een weekblad en De Nieuwe van Mark Grammens (Orde van de Vlaamse Leeuw – 1978) valt op een redelijk simpele manier in 1984 in hun handen. Ik breng Henri-Floris iedere week naar de drukkerij in Dendermonde, waar het blad zijn uiteindelijke vorm krijgt voor het naar de drukpersen verhuist. Vele van de soms te lange artikelen worden door mij persklaar gemaakt, wat zoveel wil zeggen als: armen en benen afgehakt. Er is ook vrije Radio Stad (in Antwerpen, de hoofdstad van Vlaanderen uiteraard) waar Rudy Vanschoonbeek – die later de uitgeverij Dedalus sticht, vervolgens werkt voor Standaard Uitgeverij en nu de schitterende uitgeverij Vrijdag leidt ‒ en Michel Follet ‒ filmrecensent en man die van kermissen en kermisvolk houdt ‒ het voor het zeggen hebben.
Soethoudt & C° is ondertussen verhuisd naar de Olieweg (Antwerpen) ‒ in een huis dat eigendom is van Martin Lemmens. Het is voor mij een brug te ver als ik zie dat ik een bureau in een kruiphok toegewezen krijg en de heer Henri-Floris grote sier maakt in een onmetelijk bureau. Henri heeft de streken van toenmalige perschef van Hugo Schiltz in al die jaren erna niet afgeleerd en hij geeft gul de centen uit die ik en Nadine, mijn echtgenote, en de heren Schiltz en Martin Lemmens in zijn onmetelijke put blijven storten. Daar verzamelt hij weer een nieuwe hofhouding, met enkele weerkerende namen: Leo de Ley ‒ die als journalist voor bijna iedere bestaande krant of weekblad werkte, religieuze en politieke kleur deed niets ter zake ‒ Jan Lampo (essayist, romanschrijver, blogger), Rudy van Schoonbeek, George Adé p.p.,
schilder, graficus, illustrator, affiche- en decorontwerper, reclameman en cafébaas
Hilda Craeybeckx
Herman Denkens (via wie dan weer politieke invloed zou kunnen worden gezocht door Martin Lemmens bij Denkens toenmalige vriendin Hilda Craeybeckx), dichter Wilfried Adams, Luc Pay en Christiaan Dutoit (Christiaan nam mijn taak van chauffeur over).
Nadine en ik besluiten eruit te trekken. Wat me echter zuur zal opbreken, want het blijkt dat het netto loon dat me werd aangeboden plotseling niet was wat het was, dat er geen aanbetalingen voor sociale bijdragen en belastingen werden gedaan en dat ik zelf moet opdraaien voor die jaren dat ik in dienst was van Soethoudt & C°. Daar houdt dan ook de vriendschap met Henri-Floris en ook met Schiltz op. Ik had Schiltz trouwens meermalen gewezen op de verkwistingen van Henri.

Nadine en ik starten uitgeverij Facet en we gaan ons steeds meer op kinder- en jeugdboeken toeleggen. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan en ook bij Facet verschijnen de nodige dichtbundels: Maris Bayar, Miel Vanstreels, Ivo van Strijtem, Maurits van Liedekerke (hoofdredacteur van WIJ, het blad van de Volksunie, waarin ik onder diverse pseudoniemen publiceerde), Hannie Rouweler, Stefan Van den Bossche, Toon Brouwers, Anke Brouwers, Martine Lefevere, Christiaan Germonpré, Irène van Kerckhoven, Anton van Wilderode. Ook nog ‘literair’ proza van Line Lambert - De Belder en het romandebuut (en daar bleef het bij) van fotograaf Filip Tas, die met Azalealaan (1989) drie schitterende verhalen schreef. Daarnaast zijn er ook de titels van Antoine Wiertz (Jan Vander Laenen) wiens verhalen meer gesmaakt worden in het buitenland dan in eigen land: Een vonk van genie (1988), Gevaarlijke liefdes (1990) en Het nimfomane huwelijk (1991) en Marc Andries met de roman Het project.
Ik blijf Henri van een afstand volgen en we ontmoeten elkaar wel eens op een vernissage of een boekvoorstelling, maar daar blijft het bij, we knikken en that’s it.
En dan op een dag, ongeveer tien jaar geleden, besluit ik de strijdbijl te begraven, het is op een boekvoorstelling of een viering van een auteur op het Antwerpse stadhuis. We raken aan de praat en het lijkt alsof al die jaren van stilzwijgen nooit hebben bestaan. Bij de dood van Soetkin (1969-2013), dochter van Nadine en mij, is hij aangedaan, hij schreef ooit over haar in Artis Amore (The Private Press): “Zaterdag 23 juni 1984 zat een uitgebreid gezelschap aan tafel in de Blauwe Gans, waaronder Clara Haesaert, Lucienne Stassaert en Wybrand Ganzevoort, Raymond van den Broeck, Ann en Frank Albers, Nic van Bruggen, Nadine en Walter Soethoudt. De dochter van Walter ook, Soetkin, aan wie Lambert (Jageneau) nadrukkelijk en streng zei: ‘Je moet je haar anders dragen.’ Verrassend genoeg volgde ze zijn raad op. Dat konden we enkele dagen later vaststellen. Op Lamberts uitvaart.” Ook Soetkins postuum uitgegeven dichtbundel kwam aan bod en wanneer er een artikel over de punk-posters van Soetkin verschijnt in Zuurvrij (Berichten uit het Letterenhuis) is dit ook nieuws voor het CDR.
Wilfried Pas
Zijn bijna laatste live-optreden was ter gelegenheid van de viering van de 75-jarige Wilfried Pas (29/4/1940 - 13 mei 2017) in het stadhuis van Antwerpen, waar hij een schitterende lofrede hield. Wilfried Pas, die beelden maakte van Paul van Ostaijen, Gerard Walschap, Willem Elsschot e.a. die her en der in Antwerpen verspreid staan (zijn beeld van Koning Boudewijn I haalde het nieuws, net zoals dat van Herman Achille graaf Van Rompuy), werkte met Henri samen voor het boek Mijn luie luipaard: Emmeke Clement en Paul van Ostaijen (1996) waarvoor hij de illustraties maakte; Henri schreef ook de tekst voor de catalogus van de overzichtstentoonstelling van Pas die in 2005 ingericht werd door de Provincie Antwerpen.
De laatste maanden heb ik, na een lang – maar moeizaam ‒ gesprek aan zijn keukentafel, heel wat boekjes (zwarte beertjes) van Havank bij Henri in de bus gestopt (die hij betaalde met een bankoverschrijving), want dat was zijn bijna laatste amusement, of was hij toch weer bezig om er iets over te schrijven, gezeten in zijn cockpit zoals hij zijn bureau noemde? We zullen het pas weten wanneer zijn huis van de zegels wordt ontdaan.
Kurt
Na zijn dood getuigde Kurt Van Eeghem over Henri: “Hij heeft een zeer ingrijpende invloed gehad op mij. Hij schreef parels van teksten en essays vol humor, even mooi in het Nederlands als in het Frans. Het was ook een echte bon vivant die niet voor twee maar drie leefde. Nachtenlang gingen we op zwier in cafés als de Pallieter, de Volle Maan of de Vecu (Vereniging Europese Cultuur Uitwisseling), een privéclub voor kunstenaars en schrijvers. Hij zocht aan de toog ook graag de controverse op en maakte graag ruzie op intellectueel niveau, maar altijd was zijn argumentatie stevig onderbouwd."
Bij het Adieu dat in galerie De Zwarte Panter werd gehouden in het bijzijn van de urne was er veel volk komen opdagen, wat iemand de waarheid als een koe ontlokte: “Als zijn vijanden hier nu ook waren geweest dan was er véél plaats te weinig geweest.”
Kortom, Henri was een wonderlijk personage dat in zijn eigen roman speelde.

Natuurlijk waren er ook de hofdames – tegelijk verzorgend personeel en bezorgsters: Pruts Lantsoght, een leven lang zijn chauffeur, zijn ‘amma’[1], zijn… voor wie Henri ooit een gedicht schreef dat begon met

Ik heb geen praalgraf nodig om te weten
met wie ik in de eeuwigheid zal slapen
Je naam, gegrift als een teken
beheerst de dreven van mijn waken
(uit: De tijd van een vreemdeling, Antwerpen, Contramine 1976)

en ook nog Karin Lebacq (dochter van Bob Lebacq) die de lay-out en verzending van de CDR-Mededelingen op zich nam en buurvrouw Lucienne Stassaert die Henri wekelijks de boekenbijlage van De Morgen en De Standaard aan huis bracht.

Dag Henri.


[1] Amma, (oma), de stammoeder van de vrije mannen in de Noorse mythologie


donderdag 13 juli 2017

EEN MELANCHOLISCHE, KAMELEONTISCHE, ERUDIETE LITERAIRE CONSIGLIERE (DEEL 4)


voor Karin, Cecile en Lucienne


Eveneens in 1984 richt Henri samen met Luc Boudens (die het zowel in de literatuur als in de beeldende kunsten probeert en samen met Tom Lanoye en Herman Brusselmans tot de ‘luidruchtige’ Belgen wordt gerekend) het Centrum voor Documentatie & Reëvaluatie op, dat enkele jaren na de oprichting een blog gebruikt om dieper in te gaan op de Vlaamse (en Franstalige) literatuur uit het interbellum en ook de beeldende kunst komt aan bod. Die blog, die eerder als grap was begonnen, zal vele jaren een leidraad zijn voor al wat op cultureel gebied geschiedde in Vlaanderen (soms Nederland). Aan het eind werd de blog vervangen door maandelijkse afleveringen, Mededelingen, die je tegen betaling kon krijgen op papier of via e-mail. (De laatste drie Mededelingen zitten blijkbaar nog in de computer van Henri.) Op de blog
kwamen dan weer andere stemmen aan bod, zoals de schitterende artikelen over theater van Guido Lauwaert en af en toe eens een bijtend stuk over dingen die Guido niet lagen. Lukas De Vos, voormalig ratelaar bij de VRT werelduitzendingen ‒ die hem inderdaad over zowat de hele wereld brachten, later bij de nieuwsdienst van radio één, pleegde lange stukken over van alles en nog wat, maar ook over de detectiveroman en thriller, die ook Henri als voorzitter van de jury van De Diamanten Kogel na aan het hart lagen.[1]

In dat kader hebben we de diverse bijdragen over
Mieke De Loof, sociologe, filosofe en tegelijk schrijfster van schitterende historische thrillers Mieke De Loof (winnares van de Diamanten Kogel 2010 voor Wrede Schoonheid) en een enkele over haar levensgezel René Broens, die alles weet over de heilige Reynaert de Vos, maar die volgens mij voorlopig enkel maar de strip(?) Reynaert De Vos (2010) in samenwerking met Marc Legendre (Vlaams striptekenaar en scenarioschrijver) heeft gepubliceerd.
Literatuurkenner Bob Lebacq (9/10/1922-20/4/2013) was voorzitter van de Raad van Bestuur van de vzw De Diamanten Kogel. Lebacq had een verleden met drie generaties Jespers’en. Hij was gevolmachtigd en buitengewoon ambassadeur in de Filippijnen (1969-1973), Indonesië (1973-1976), Hanoi (1977-1979) en ten slotte in Israël. Bij de uitreiking van de Diamanten Kogel in 2013 zei ondervoorzitter Wim Van Rooy over Lebacq: “Bob Lebacq leefde niet zoals de grote cynicus Diogenes in een ton, zoekend naar de mens (hij zou die vergelijking denk ik graag gehoord hebben), maar hij bevond zich onder ons en gaf DDK de zweepslagen die het nodig had om uit te groeien tot wat hij nu is.”
Enkele schaarse bijdragen van Wim Van Rooy zijn er ook, Wim werd door Henri meermaals ‘mijn geleerde vriend’ genoemd. Wim is licentiaat Letteren en Wijsbegeerte in de Germaanse Filologie en licentiaat in de Zweedse letterkunde. Ook specialiseerde hij zich in de godsdienstwetenschap. Hij volgde colleges bij onder andere Etienne Vermeersch, Leo Apostel en Jaap Kruithof. Van Rooy is, naar eigen zeggen, "als velen van zijn generatie begonnen als marxist," in de geest van mei '68. Gedurende vele jaren was hij directeur van de orthodox-zionistische school aan de Lamorinièrestraat in Antwerpen. Vanaf 2008 verschenen van hem erg kritische essays over de islam, volgens Wim e.v.a. een politieke religie.
De bijdragen van Luc Pay (die het verzameld proza en het Dagboek van Gaston Burssens bij elkaar bracht) waren diepgaande stukken waar men soms wel eens een woordenboek voor moest gebruiken als je geen hoger onderwijs had genoten, datzelfde geldt ook voor die van Van Rooy.






De heren die het meest aan bod kwamen in artikelen, waren Yannick Dangre (een schoone jongen die in 2011 de debuutprijs kreeg voor zijn roman Vulkaanvrucht) vanaf het begin van zijn carrière, Luc Boudens (een schoone jongen) en Patrick Conrad p.p. (idem) die in 1974 de gedichtencyclus schreef: ‘Nu mijn vrienden vrouwen werden’ en die het tot een gevierd thrillerauteur bracht, wat hem De Diamanten Kogel opleverde voor Starr (2007) en de Hercule Poirot prijs voor Moço (2015). Zijn eersteling werd uitgegeven bij uitgeverij Monas, uitgeverijtje dat in handen was van Henri-Floris Jespers; de enkele boeken en boekjes die door Monas werden uitgeven zijn erg gezocht door de enkele nog resterende verzamelaars, een uitstervend ras inderdaad, want wie verzamelt er nog? Hendrik Carette publiceerde regelmatig een gedicht, Jan Scheirs maakte vooral de tekeningen die iedere aflevering sierden en lange tijd maakte hij ook de portretten van de auteurs die op de shortlist (5 titels) van De Diamanten Kogel terechtkwamen, en er was de dichter Frank de Vos wiens stokpaardje de Katharen zijn en die het de laatste tijd voor bekeken hield; Frank is eveneens de bezieler van het Antwerpse culturele café Den Hopsack en wat betreft poëzie, hij was het die onze dochter Soetkin een kans tot optreden gaf met haar Engelstalige poëzie-spoken word. Daarnaast zijn er ook Bert Bevers, een dichter uit het zuiden van Nederland, dubbeltalent Lucienne Stassaert die schrijft en schildert, en beeldhouwer en maker van picturale gedichten Renaat Ramon. De foto’s waren meestal van grafisch kunstenaar Frank-Ivo van Damme en zijn echtgenote Joke van den Brandt, die de kalligrafie beoefent. Hoe Henri plotseling wat had met schrijver-dichter Frans Depeuter (die wel goede bijdragen leverde), nadat hij in het verleden de hele Heibel schrijversgroep (Robin Hannelore, Walter van den Broeck, Willy De Bleser) naar de verdoemenis had geschreven, is mij een raadsel, en hoe Henri in 2011 voorzitter werd van de Herman J. Claeys prijs ‘Ni Dieu, ni Maître – Noch God, noch Gebod’ (tekst die je ook onder de briefwisseling van Guido Lauwaert kunt vinden) is een nog groter raadsel; het samengaan van een estheet en een dode anarchist, het moet kunnen. Claeys schreef poëzie, romans, theater en was tevens taaldeskundige op het gebied van de Nederlandse variatielinguïstiek, en in die functie heeft hij een tijdje de teksten van Henri voor CDR nagekeken. Eigenlijk een man naar mijn hart, die protesteerde tegen protestdichters, schreef wat hij wilde schrijven, de vrijheid van het woord hoog in het vaandel voerde.
 Ik moet ook nog Kris Kenis vermelden, de techneut die Henri hielp bij computerproblemen en hem ook dikwijls hielp bij zijn opzoekingen en deel uitmaakte van de jury van De Diamanten Kogel, maar waarom deze Kris nu het doodsprentje sierde met een tekst van zichzelf, begrijp ik niet; Henri had genoeg passende teksten op voorraad. Bijvoorbeeld:

“Soms is eenzaamheid een noodzakelijk antidotum tegen het rumoer en de razernij der dagen, een welkome vluchtheuvel in het immobiel middelpunt van de windhoos waardoor het leven geteisterd wordt. Je voelt je dan plots thuis, in de afgeschermde ruimte waarin je nog slechts te kampen hebt met de vertrouwde demonen die je bewonen, in alleenspraak ook met de doden die je een leven lang steeds talrijker begeleiden ‒ tot je zelf aan de laatste acrobatie toe bent, de ultieme overstijging van (of onderwerping aan?) de wetten van de zwaartekracht.” (Uit: Henri-Floris Jespers p.p. Tussen zweefvlucht & zwaartekracht, Vondel, 1982)

De waarheid ligt erg dichtbij, want Henri zag zijn eigen aftakeling met lede ogen aan en verborg zich voor de wereld. Slechts enkelen hadden nog toegang tot zijn huis.

(Vijfde en laatste deel volgt morgen)


[1] Jos van Cann & Henri-Floris Jepers (red): Thriller versus roman, Garant, Antwerpen-Apeldoorn, 2008.
Jos van Cann & Henri-Floris Jespers (red): Ruw & hard, geslepen & begeerlijk, De diamanten kogel, Antwerpen, 2012 (Met tien schrijversportretten van Jan Scheirs.)


woensdag 12 juli 2017

EEN MELANCHOLISCHE, KAMELEONTISCHE, ERUDIETE LITERAIRE CONSIGLIERE (DEEL 3)


Voor Veerle


Schiltz mag dan alles van financiën hebben geweten, Henri-Floris was als perschef een unicum, vooral omdat hij zich op zijn gemak voelde bij de groten der wereld en hen kon fêteren in de beste restaurants van Brussel en omstreken. Iedereen die iets te betekenen heeft in de politieke pers en de politici van de lagere echelons zit met hem aan tafel, naast veel grote heren uit de zakenwereld.
Sommige kwaadsprekers beweren zelfs dat ooit iemand heeft gezegd dat Henri de duurste hoer was die Schiltz ooit heeft gehad. Henri strooide het geld rond alsof hij Midas zelf was, maar in zijn voordeel moet dan weer worden gezegd dat Schiltz bijna dagelijks nieuws was in alle dag-, week- en maandbladen. Diezelfde kwaadsprekers van voorheen beweren ook dat Henri-Floris Jespers p.p. wel eens de medeauteur zou kunnen zijn van Macht en Onmacht van de Vlaamse Beweging (1982) en Uitdaging aan de Vlaamse Meerderheid (1985) die bij mijn uitgeverij verschenen onder de naam van Hugo Schiltz.
Schiltz, die blijkbaar bezig was om een klein persimperium op te bouwen, koopt zich in 1984 in uitgeverij Soethoudt in, samen met Martin Lemmens, een olieboer die op zoek is naar politieke steun voor het een of het ander, en advocaat Paul Doevenspeck, wat dan Soethoudt en C° wordt. Lemmens leidt de nv Belgian Oil Services (dat vieze olie omzet naar herbruikbare olie), daarnaast is hij ook hoofd van de nv Antwerp Shiprepair (waar nogal wat vieze olie wordt gewonnen).
Karin Lemmens komt bij ons op het kantoor aan de Eggestraat (Antwerpen) zitten. Henri bezoekt nu en dan de Van Steenlandtstraat (Antwerpen) waar Soethoudt & C° nu blijkbaar gevestigd is, maar Nadine en ik blijven op onze stek in de Eggestraat.
Het gezeik begint, ik krijg boeken toegeschoven waarvan ik het nut helemaal niet inzie. Maar er is Diogenes, het literaire tijdschrift dat een plaatsvervanger moet zijn voor het Nieuw Vlaams Tijdschrift waarvan enkele redactieleden ook overstapten. De meeste redactieleden gingen echter hun heil zoeken bij het Nieuw Wereldtijdschrift.
In de hoofdredactie van Diogenes komen we Georges Adé p.p. (1936-1992) tegen. Adé was romanist, dichter en prozaschrijver, radio- en tv-criticus en publiceerde studies over semiotiek en linguïstiek. In 1977 werd hij benoemd tot hoogleraar aan de Katholieke Vlaamse Hogeschool te Antwerpen. Aan zijn zijde vochten Hubert Lampo, Ivo Michiels, Renaat Ramon en Erik van Ruysbeek. De redactiesecretaris wordt Luc Pay, leraar Germaanse talen, die ook zijsprongen maakt in het theatergezelschap Epidauros, waar hij als ode aan de acteur Julien Schoenaerts de Apologie van Socrates al meermalen ten tonele bracht, ook speelde hij mee in Caligula (2015) een productie van het Toneelhuis (Antwerpen).
Ook hier komen we de vrienden weer tegen: dichter Wilfried Adams, Frank Albers, dichter Ludoviek Andries, dichter Hendrik Carette, Danny De Laet, dichter Dirk van Bastelaere, dichter Nic van Bruggen p.p., Gust van Brussel en Tony Rombouts, die zich op de eerste plaats dichter noemt, ook wel eens proza schreef, maar zich vooral als uitgever van gedichten manifesteerde met zijn eigen uitgeverij Contramine en dat samen met zijn toenmalige vrouw, de dichteres Maris Bayar. Diogenes moet de literaire tegenhanger worden van het meer politiek gerichte
Hugo en Veerle Schiltz


(wordt vervolgd)
Vlaanderen Morgen (hier komen we Christiaan Dutoit en Henri weer tegen) dat al enkele jaren de gezegende hand van Schiltz boven zich voelt en waarin deze onder de naam Roskam schitterende cursiefjes – soms politiek getint ‒ schrijft; de verantwoordelijke uitgever is Veerle Schiltz (licentiate geschiedenis).

dinsdag 11 juli 2017

EEN MELANCHOLISCHE, KAMELEONTISCHE, ERUDIETE LITERAIRE CONSIGLIERE (DEEL 2)


EEN MELANCHOLISCHE, KAMELEONTISCHE, ERUDIETE LITERAIRE CONSIGLIERE (DEEL 2)

Voor Bosie en Sarah

In 1981 werd Henri hoofdredacteur van de culturele pagina’s van Impact (De Nieuwe). Impact is, naast andere belangrijke publicaties, een uitgave van Sodimp nv waar Pierre Davister de controle heeft, Jacques Lacrosse wordt president-directeur-generaal. Pierre Davister, een oud-journalist van Pourquoi Pas en uitgever van het weekblad Spécial, was een vertrouweling van Tsjombe, maar na de machtsgreep van Mobutu veranderde hij het geweer van schouder. Davister had er alle belang bij dat Mobutu aan de macht bleef, zodat hij in Congo zijn media-imperium verder kon uitbreiden. Hij wordt ook genoemd in de zaak van de destructie van het monument van Patrice Lumumba. Davister omringt zich met Françoise Masson, Michèle Ferricelli, Henri, Youri Demeure en Gaston Leroux.
De Nieuwe Impact wil een dwarsligger zijn: ‘ons tijdperk is een tijdperk waarin de mensen er genoeg van hebben’. In het nummer 1 van 1981 vinden we De Brief van Henri-Floris Jespers: Een best aardige koning. Zes pagina’s lichtjes ironische tekst over het 150 jaar bestaande Belgische koningshuis, waarin hij schrijft: “Morgen of overmorgen zal de troon haast onzichtbaar zijn geworden, de schatkist leeg en de ‘Belgen’ hopeloos en reddeloos verdeeld.” In het meinummer is de brief van 



Henri plotseling in de handen van Pierre Davister gevallen. De brief krijgt de naam Nguza: de waarheid mee. Jean Nguza is van de ene dag op de andere
Nguza Karl-I-Bond
Citoyen Nguza Karl-I-Bond geworden. Het artikel eindigt met: “Laten we de generaal geruststellen. De oppositie zal nu niet begiftigd worden met een echte vedette. Nguza is vermoeid, erg vermoeid. Zoals allen die onvoorwaardelijk de mobutistische zaak hebben gediend en terugbetaald werden met zwarte ondankbaarheid.” Davister keert Mobutu de rug toe, dat is duidelijk. Ikzelf heb Nguza tweemaal ontmoet. Nguza was een lieve innemende man die de vreselijkste folteringen had doorstaan, maar positief bleef en het boek Mobutu voorbij: blauwdruk voor de derde Kongolese republiek (1983) dankzij de tussenkomst van Henri bij mijn uitgeverij onderbracht.
De culturele pagina’s werden gevuld door de vrienden: Paul de Vree p.p. wiens Verzameld Proza 1938-1972) in 1975 bij mijn uitgeverij verscheen met een woord vooraf van Henri-Floris Jespers, hoewel De Vree p.p. eigenlijk meer bekend was als dichter, criticus en essayist en zich vanaf 1963 alleen nog maar toelegde op concrete en visuele poëzie. Patrick Conrad p.p. mocht ook niet ontbreken, ja daar is Frank Albers ook weer, de dichter Ludoviek Andries, de notoire galspuwer Danny De Laet, die tevens redactiesecretaris was, en die voor de rest van zijn leven met zowat iedereen in de clinch heeft gelegen,Vlaamse dichter en criticus Willy Vaerewijck die als journalist zijn sporen verdiende bij de socialistische krant Volksgazet en in 1969 hoofd werd van het persbureau Belga, Georges Adé p.p. en Nic van Bruggen p.p. Ik schreef diverse artikelen onder de naam Laagvlieger.
Het is in die dagen dat Henri ‒ die een grote bewonderaar van Kim Philby was, de Engelsman die voor de Russen spioneerde samen met zijn vrienden ‒ regelmatig bezoekjes brengt aan het Oostblok. Zijn bezoeken aan de Leipziger
Kim Philby
Messe en Leipziger Buchmesse, om zijn bezoeken aan Moskou niet te vergeten, dragen er toe bij dat Henri in die periode regelmatig een drink uitbrengt op de Onoverwinnelijke Sovjetlegers, waarop de omstanders driemaal luid: “Hoera! Hoera! Hoera!” moeten uitroepen. Henri, die ik er op een bepaald ogenblik van verdacht dat hij in de voetsporen van Philby wilde lopen, hield ervan om over de (wereld)politiek te praten en we hebben enkele keren samen naar liederen uit de Spaanse Burgeroorlog zitten luisteren. Zowel die van de franquisten als die van de Internationale Brigades. Ik liet hem de naald enkele keren terug op Los cuatro generales (ook bekend als Mamita mia en Coplas por la defensa de Madrid) zetten. Het lied wordt gezongen op de melodie die ook werd gebruikt voor Los Cuatro Muleros van Federico Garcia Lorca. De vier generaals zijn Francisco Franco, Emilio Mola, José Sanjurjo en Gonzalo Queipo de Llano die langs vier zijden in colonne oprukken naar Madrid. Tegelijk bevat het lied een verwijzing naar de vijfde colonne (uitdrukking die ontstond tijdens de Spaanse Burgeroorlog na een radiotoespraak van generaal Mola), zijnde verkapte aanhangers van Franco in Madrid zelf.

Wanneer Henri Impact verlaat om op het kabinet van minister van Financiën en Begroting, Hugo Schiltz, in de eerste Vlaamse Executieve (1981-1984) te belanden, weet ik niet meer, maar ook daar komen we de vrienden weer tegen, met enkele nieuwe gezichten: Danny De Laet, Nic van Bruggen p.p., Hendrik Carette (die we nu regelmatig tegenkomen in ‘t Pallieterke als boekbespreker en die in 1974 debuteerde met het uitzonderlijke Winter te Damme & andere minder beroemde gedichten van de jonge meester) en Christiaan Dutoit. Christian Dutoit (1956-2016) was later stichter en hoofdredacteur van het linkse Vlaams-nationale maandblad Meervoud dat hij meer dan 25 jaar leidde. Tegelijkertijd was hij ook de spil van het Vlaams Huis in Brussel, al bijna 20 jaar het epicentrum van de Vlaamse Beweging in Brussel, thuisbasis van Meervoud, naast onder meer het Vlaams Komitee voor Brussel en de Brusselse afdeling van de Vlaamse Volksbeweging. Ronny De Schepper schreef over Dutoit: “Hij deed zijn kandidaturen geschiedenis aan de pas opgerichte KULAK en zijn licentie aan de KUL. Zijn thesis ging over de activist en later Vlaamsgezinde communist Jef van Extergem (later uitgegeven bij die andere dwarsligger Soethoudt). Kwatongen beweren dat veel van deze thesis door anderen zou zijn geschreven, want Christian was toen al overbelast.” Wat Els Witte[1] ertoe aanzette om het boek in Ons Erfdeel te vernietigen met één zinnetje: “Jef van Extergem verdiende echter meer dan een biografie in brochurevorm.”


Elsa (Els) barones Witte is een Belgische historica, die zich heeft  gespecialiseerd in de hedendaagse geschiedenis. Zij is emeritus-hoogleraar aan de Vrije Universiteit Brussel.

(DEEL 3 VOLGT MORGEN)

donderdag 6 juli 2017

EEN MELANCHOLISCHE, KAMELEONTISCHE, ERUDIETE LITERAIRE CONSIGLIERE


EEN MELANCHOLISCHE, KAMELEONTISCHE, ERUDIETE LITERAIRE CONSIGLIERE

Ooit behoorde ik tot de hofhouding van Henri-Floris Jespers p.p. Hij was het die mijn toen al tien jaar bestaande uitgeverij in 1974 een duw in de goede ‘literaire’ richting gaf en mij zijn boek Toekomstig en onafwendbaar herdenkingsceremonieel liet uitgeven. Hij beschouwde het als een gunst aan mij, en dat was het ook, want het gevolg was dat ik datzelfde jaar ook de best
Soethoudt/Van Bruggen
besproken gedichtenbundel Ademloos Seizoen van Nic van Bruggen p.p. uitgaf en het daaropvolgende jaar Het dagboek van een Pink Poet van diezelfde Nic.
1975 werd een vruchtbaar jaar, met Achilleus van Saint-Rémy[1] (22/12/1913-21/8/1979) aquarellist, graficus, kalligraaf, romanschrijver (die zowel in het Nederlands als in het Frans schreef), dichter, tekenaar en vertaler, de eerste in een lange reeks dichtbundels van zijn hand, en Beroepsgeheim van Willem M. Roggeman, ook al een eerste in een serie.
Henri had het signaal gegeven en zijn Geen seizoenen als vroeger (1976) was het begin van een serie sterke ‘literaire’ titels: 33 werkwoorden en andere miezerigheden (1976), door de pers geprezen gedichten van Frank de Crits, Geschiedenis van de revolutie (1977), het debuut van Jean-Marie Berckmans die later als romanschrijver en cabaretier (Circus Bulderdrang)[2] bekend zou worden, en dat vooral om zijn tragische leven als manisch depressief personage in zijn eigen boeken, Honderd gedichten (1977) van Nic van Bruggen p.p., dichter, publicist, kunstcriticus, sportjournalist, reclametekstschrijver en beeldend kunstenaar ‒ in die laatste hoedanigheid gebruikte hij de naam Nicolaas. Was redacteur van het Antwerpse avant-garde tijdschrift Frontaal (1957-1959). Was ook medeoprichter met Patrick Conrad van de Pink Poets.
Dan is er nog de met de Prijs van de Stad Brussel bekroonde De dood en de dageraad (1977) en De omtrek en het centrum (1978) van Erik van Ruysbeek, vervolgens nog drie boeken van Henri zelf, Het bed van Procrustes (1978), Het ritselen van vleugels (1979) en De boog van Ulysses (1983). In 1979 was het Ivo Michiels die mijn lijst van uitgaven sierde met de essaybundel Luister hoe dit beeld hoe die lijn hoe die kleur hoe dit vlak luister. In 1980 was er de dichtbundel Broedgebied van Frank Albers, die hij in 1982 liet volgen door zijn schitterend romandebuut Angst van een sneeuwman. Karel Osstyn schrijft in Ons
Frank Albers
Erfdeel: “Frank Albers' Angst van een sneeuwman heeft opvallend veel lovende stemmen doen opgaan en terecht. Het is een voortreffelijk boek van een jonge schrijver. Zoiets trekt natuurlijk de aandacht, omdat jongeren zich in Vlaanderen minder van het medium literatuur zijn gaan bedienen, of de kans daartoe niet krijgen. Frank Albers behoort niet tot een stille generatie, maar tot een zwijgende generatie. Het is niet moeilijk om te ontdekken waarom dat zwijgen in acht wordt genomen. In de eerste plaats is er momenteel weinig stimulans om wat dan ook in literatuur te sublimeren. Ten tweede is er het gevoel dat literatuur niets essentieels toe te voegen heeft aan de troosteloosheid, die ook in de andere media heerst. Toch moeten er in Vlaanderen nog jongeren zijn die interessante dingen schrijven; onze noordergrens kan door de creativiteit en de kwaliteit heen toch niet zo'n scheidingslijn trekken. Angst van een sneeuwman is, ondanks zijn weinig opwekkende inhoud, de gelukkige bevestiging van dat idee.”
Ook in 1980 maak ik een romanbewerking van het scenario van Slachtvee van de hand van Patrick Conrad p.p. en van dichter en beeldend kunstenaar Marcel van Maele (van wie ik de eerste Gebottelde Gedichten uitgaf). Verlaten landschap (1980) van Gust van Brussel verschijnt bij mijn uitgeverij, in 1984 gevolgd door het schitterende De waanzinnige stad, dar door Henri “een onvolprezen SF-roman” werd genoemd. In februari 2015 schreef Henri over Van Brussel: “Gust van Brussel is geen beaat vooruitgangsoptimist. Maar nog minder een doemdenker. Dat blijkt voldoende uit zijn veelzijdige en geschakeerd oeuvre.” Gust Van Brussel (12/9/1924-20/5/2015) was tot aan zijn pensionering de public relations man van de Generale Bank, tevens voorzitter van de Marnixring Antwerpen-centrum[3] en was de stichter en animator van Het Literair Salon (start 15/10/1985) te Antwerpen.
Dirk van Bastelaere
In datzelfde 1984 is er de debuutbundel van Dirk van Bastelaere (23/10/1960) Vijf jaar (Prijs voor het beste literaire debuut 1985). Dirk van Bastelaere (23/10/1960) is een Vlaams postmoderne dichter, essayist en vertaler. Lange tijd was hij press officer van SD Worx. Van 2014 tot zijn ontslag in 2016 was hij werkzaam als woordvoerder van de N-VA-fracties in de Kamer en de Senaat.


[1] In 1941 gaat hij aan de slag als recensent en vertaler onder andere voor Het Vlaamsche Land, een oorlogskrant met uitgesproken Nieuwe-Orde-strekking (1941-1944), wat hem een zgn. ‘oorlogsverleden’ oplevert.
[2] Volgens Wikipedia was Circus Bulderdrang een Vlaams gezelschap, dat in 1994 werd opgericht door Manu Bruynseraede, Vitalski, Steven Grietens, Geert Beulens en Jean-Marie Berckmans. Oorspronkelijk was het gezelschap voornamelijk gericht op taal (met name gedichten). Circus Bulderdrang evolueerde tot een theater- en muziekgezelschap, met speciale aandacht voor literatuur. Absurdisme was een sleutelbegrip in het oeuvre van het ensemble. 
[3] De Marnixring situeert zijn activiteiten en projecten vooral in een sociaal-culturele context.

HET VERVOLG OP DINSDAG 11 JULI 2017


woensdag 5 juli 2017

HET LIJK IN DE BOOMGAARD



HET LIJK IN DE BOOMGAARD van Geert van Istendael kreeg het etiket misdaadroman opgeplakt. Maar is het dat wel? Beginnen we met de karikaturale omslag van de nogal ruim gesubsidieerde Judith van Istendael die haar inspiratie ging halen in England (VK) waar dit soort omslagen een tijdje geleden opgang maakten voor literaire titels. (Zie hiernaast). Of was dit een poging om het boek in een andere categorie onder te brengen?

Als ik op de achterflap lees: “Satirisch, bij flarden grimmig, bij flarden hilarisch” zie ik flarden mist voor mijn ogen verschijnen en hoewel ik geen tandartsbezoek in het verschiet heb, lach ik toch als een boer die kiespijn heeft. (Geert lees Bavo Dhooges Stiletto Libretto eens, dat is pas satire.) Grimmig? Als ik het synoniemen woordenboek raadpleeg vind ik: woedend, bar, boosaardig, fel, furieus, kwaad, laaiend, woest, bedreigend, huiveringwekkend, macaber, boos en wrevelig. Juist ja: De kettingrokende Brusselse commissaris Kluft wekt mijn wrevel op, de keren dat hij pijn heeft in zijn stierennek, omdat het onderzoek niet loopt zoals hij het wenst, zijn ontelbaar (weer een pagina meer). Natuurlijk is de stagiaire Amber Putzeys een intelligente jonge vrouw en zijn de assistent-inspecteur Demir (een Turk die Arabisch spreekt) en de West-Vlaming Noël Vercruysse (met een zware West-Vlaamse tongval) karikaturen.

De vermoorde man, met de naam Overman, die is gevonden in de boomgaard (in een Brusselse voorstad of all places) met doorgesneden (niet overgesneden Geert) keel blijkt een tiran in alles, kinderen, vrouw, liefjes, personeel, wat Kluft bijna doet besluiten de hele zaak te klasseren, maar dan vind hij een nieuwe weg misschien wel door die ‘tafel vol vrome brochures’ (heb al wel vrome mensen ontmoet, maar vrome brochures nog nooit!) in de kerk waar de tiran les neemt op het orgel. En als Geert iets heeft gevonden gebruikt hij het uiteraard nog eens: “Ze betraden het hok. Het was binnen ruimer dan je van buitenaf zou vermoeden.” (pag 12) en “Kluft en Demir betraden de kerk. De binnenkant leek veel groter dan de buitenkant liet…”.

Om dan bij hilarisch te belanden: eigenlijk is het helemaal hilarisch dat dit boek een uitgever vond. Ja, wat een naam kan doen!