Bedenkingen, mijmeringen, oprispingen.

zaterdag 31 maart 2018

TO WHO IT MAY CONCERN



·      “Most gulls don't bother to learn more than the simplest facts of flight - how to get from shore to food and back again”
(Richard Bach – Jonathan Livingston Seagull)
(Tom Meeuws opgedragen)

·      Did you know? The word FUCK comes from when judges had no court stenographers - and had to write their own notes -  in their own style of 'shorthand'. FUCK was short for "For Unlawful Carnal Knowledge."  When sleeping with a girl below the legal age etc ...
Just thought you would want to know this...

·      WIE IS DE VOLGENDE SOCIALIST DIE HET ONRECHTMATIG VERKREGEN GELD GAAT VERBRANDEN?


·      Het opsluiten van de twee Griekse soldaten door Ankara lijkt
het laatste voorbeeld te zijn van wat de "gijzelings-diplomatie van Turkije" wordt genoemd. Andere voorbeelden zijn onder meer een Duits-Turkse journalist, Deniz Yücel; een Franse journalist, Loup Bureau; en een Amerikaanse pastor, Andrew Brunson. Allen werden in Turkije gevangengezet op verzonnen beschuldigingen van terrorisme. Pastor Brunson zit sinds oktober 2016 achter de tralies, maar de Turkse rechterlijke macht moet nog een aanklacht indienen waarin de beschuldigingen tegen hem worden toegelicht.

·      The failure of the donors -- mainly the US and the EU -- to demand accountability and transparency from the Palestinian Authority has deprived Palestinians of a significant part of the funds.
It has also encouraged Palestinian leaders to continue pocketing millions of dollars, enriching their private and hidden bank accounts.
The Palestinians, of course, are the primary victims in this story.


THE STORY OF A BICYCLE GIANT


The Raleigh company made its first bicycles in the 1880s, and 50 years later could boast that it owned the largest and most modern cycle factory in the world, with a 6,000-strong workforce. In the 1950s it bought its rivals BSA and Triumph, and then in 1960, Raleigh itself was acquired by Tube Investments, which owned most other British cycle brands. Raleigh production in Nottingham ceased in 2003, when manufacture and assembly moved to Taiwan and Vietnam. The new company, known as Ti-Raleigh, lasted in British hands until 1987, when it was bought by a German bike manufacturer, Derby Cycle. Pon Holdings (Pon Holdings subsidiary company’s are: Derby Cycle, Gazelle, Cervélo, Santa Cruz Bicycles etc.), a Dutch company, bought Derby Cycle in 2012.

woensdag 28 maart 2018

HOMMAGE AAN LEONARD NOLENS


Leonard Nolens
In Gent wordt een hommage georganiseerd aan Leonard Nolens. Alles wordt in elkaar gezet door de KANTL, Poëziecentrum en de Vakgroep Letterkunde (afdeling Nederlands) die verschillende gastsprekers het woord geven en vervolgens is er de voorstelling van het Nolens Handboek (een uitgave van Poëziecentrum of wat dacht je?). Ook Bibliotheek De Krook (het Engelse crook zou hier misschien beter passen, want ze graaien hiermee uiteraard in de subsidietrog) participeert in het evenement en draagt bij tot een brede publieke belangstelling. Brede publieke belangstelling voor gedichten? Mijn oor, ja. Mijn ervaring inzake deze belangstelling is wat ik ooit tegen de stichter van de poëziekrant zei: "Welke van je abonnees ken je niet persoonlijk?" De performers van Auw La zullen bovendien gedichten van Nolens naar de straat brengen door ze in de oren van voorbijgangers te fluisteren, die de performers waarschijnlijk voor gekken zullen houden, omdat ze geen ene moer begrijpen van de tekst.
Nolens (1947) is vandaag een van de meest geprezen en geprijsde schrijvers van de naoorlogse literatuur in het Nederlandse taalgebied. Zowat alle literaire onderscheidingen met prestige zijn de inmiddels zeventigjarige dichter te beurt gevallen. Wanneer men het prijzengeld optelt en daarbij de gelden voegt die hij uit de subsidietrog krijgt, zou het wel eens kunnen dat men beter over prins Nolens spreekt, dan over prins Laurent.
En ik sta niet alleen met deze boude redenering. Op 19 januari 2014 schreef Hendrik Carette in Mededelingen van het Centrum voor Documentatie & Reëvaluatie:
Hendtik Carette
Het decembernummer van de Poëziekrant (jaargang 37, nr. 8) is een bijzonder themanummer gewijd aan de dichter Leonard Nolens (°Bree, 1947) met niet minder dan vijftien foto’s van de vereerde Meester die ook hier niet één keer lacht of ook maar een zweem van een glimlach vertoont. Enkel de foto op pagina 31 (met zwarte baard en zwarte of donkerbruine hoed en een warme dure mantel met bontkraag) laat de toen nog jonge Nolens, die toen nog niet zo leed onder de loden last van het leven, ons even een minder getormenteerd gezicht zien.
Het is een mooi stijlvol nummer geworden met een nieuwe cyclus van zeventien genummerde gedichten (verspreid over het hele nummer) onder de titel ‘De kuur’ met bovenaan een passend citaat van Henri Michaux dat in het Nederlands wordt aangeboden zonder vermelding van de oorsprong. Enkele dichters zoals Johan de Boose, David Troch en Ellen Deckwitz mochten een gedicht, opgedragen aan de Meester, publiceren en Marleen de Crée die ook geboren werd in Bree (het rijmt zonder rijmdwang) mocht een hele cyclus ‘Bree-intra muros’ aanbieden aan de lezers en beate bewonderaars van Nolens. Zij schrijft zonder hoofdletters in haar sobere hermetische stijl en deze cyclus van haar staat hier eigenlijk in een mooi contrast. Het hele nummer opent met een mooi maar wat ambigu dankwoord van de dichter : ‘Goedemiddag Majesteit, Goedemiddag beste familie en vrienden, geacht publiek’ waarin Nolens eerlijk bekent en goed formuleert hoe moeilijk hij het wel heeft met het danken in het algemeen en in het bijzonder bij het bekomen van een Grote Prijs. Uit dit slechts schijnbaar plechtig dankwoord blijkt al hoe deze dichter worstelt met zichzelf en met zijn Umwelt. Zijn succes bij een breed publiek van vooral academici en beroepslezers, maar ook bij een groot aantal lezende vrouwen en mannen die als het ware bezwijken onder de charme van deze monomane dichter is een bijzonder fenomeen.
De lange en indringende bijdrage ‘Het zwaaibeen van de passer’ van Pascal Cornet is misschien wel de meest relevante tekst omdat Cornet even dieper ingaat op het proza van Nolens. Dagboek van een dichter 1979-2007(Amsterdam, 2009) telt meer dan duizend bladzijden en eigenlijk ben ik een beetje kwaad op mezelf dat ik deze dikke turf nog niet heb gelezen. Maar hoewel ik graag afdaal in goudmijnen (‘Het dagboek is de goudmijn, het gedicht is het goud.’ volgens Nolens ) kom ik ook weer graag in de open lucht om daarna weer in mijn eigen zoutmijn af te dalen… Cornet stelt een scherpe identiteitsvraag die hij dadelijk zèlf beantwoordt, want ja, ook dit dagboek sluit nauw aan bij het hoofdwerk : de gedichten. Als hogepriester van zijn eigen priesterschap schrijft Nolens : ‘Een kunstenaar is dag en nacht de ceremoniemeester van zijn eigen banaliteiten en plechtigheden.‘ En in zijn geval moet dit wel een bekentenis zijn die kan tellen. Wat is de ware gestalte van de schrijnende Nolens die als een poëticale poseur door de kamers en zalen van zijn aura als doorheen een aula schrijdt ? Is hij een letterdief? Neen, hij gaat niet ten onder aan een teveel van verwijzingen of verstolen citaten. Is hij een letterknecht? Neen, hij is geen literaat en schuwt elke gevaarlijke polemiek die zijn aureool van hogepriester van de lyriek zou kunnen verstoren. Is hij een poseur? Neen, zijn persoonlijk masker is vergroeid met zijn persona. Is hij de waardige opvolger van Maurice Gilliams? Nee, daarvoor schrijft en publiceert hij aan een te hoge frequentie. Is hij een wilde experimentele dichter? Neen, hij verliet de groep Labris omheen Max Kazan al heel snel. Is hij een poète maudit? Neen, hij wordt en werd overladen met literaire prijzen en rijkelijk uitgestrooide subsidies. (Hij moet trouwens de rijkste dichter van Vlaanderen en omstreken zijn!) Is hij een dansende derwisj? Neen, een danser spuwt geen woorden uit. Is hij de nieuwe Mallarmé die in het harde marmer werkt? Neen, hij werkt in de taaie taal die Nederlands heet. Is hij een taaltovenaar zoals Guido Gezelle? Neen, deze Limburger zingt wel, maar niet als die priester. Is hij een mystieker?
Neen, hij is een echte egotist. Hij is gewoon de buitengewone Nolens. En zijn mooiste gedicht blijft voor mij dat gedicht over die Russische duikboot de Koersk die in het jaar 2000 op een diepte van 108 meter op de bodem van de Barentszee zonk. En daar in dit gedicht vergat Nolens even zichzelf en hoor je de radeloze angstige bemanningsleden die kloppen op de metalen wand van die Russische kernonderzeeër. Maar helaas niet één van al die geleerde professoren in de lyriek en andere beroepslezers hebben dit mooi en aangrijpend gedicht in deze Poëziekrant van commentaar voorzien.
Hendrik CARETTE

dinsdag 27 maart 2018

GELUKKIGE VERJAARDAG


Het is 1948 en het vrouwenstemrecht is er eindelijk. Ons ma moet dan ook zetelen bij de parlementsverkiezingen van 1949, haar stem gaat naar de Vlaamse concentratie, voorloper van wat later de Christelijke Vlaamse Volksunie zal worden, en weer later de Volksunie. Ze ging er altijd prat op dat zij de allereerste Volksuniestem had uitgebracht.

Walter A.P. Soethoudt: Uitgevers komen in de hemel (2008)

maandag 26 maart 2018

VAN ONZE AUTOFANAAT


Honderd jaar geleden werd in Fresno, Californië, Vaso Vucurovic geboren, de jongste zoon in een Servisch immigrantengezin van tien, hardwerkend en fier, “arm maar proper” zoals ze zeggen.

Met de tijd werd Vucurovic veramerikaniseerd tot Vukovich. Vaso werd Bill.

Na de dood van vader Yvoan – hij pleegde, moegestreden, zelfmoord op Bill’s veertiende verjaardag - en met de oudste kinderen al het huis uit, kwam de verantwoordelijkheid voor het gezin op de schouders van Bill en zijn broer Eli terecht. In volle Grote Depressie hadden de jongens geen andere keus dan de school eraan te geven en te gaan werken voor het gezin. De twee tieners deden het met liefde, moed, toewijding en veel doorzettingsvermogen. Want het was hard labeur, omzeggens de klok rond. Hun enige verzetje was de aftandse 
Ford T die Yvoan ooit had aangeschaft. Ze raceten ermee door de velden, op jacht naar een prairiehaas voor het avondeten, Bill aan het stuur.

Altijd op zoek naar manieren om een dollar bij te verdienen, kwamen de jongens in de racerij terecht, in die dagen een quasi loutere amateurbedoening. Aspirant coureurs verkochten hun diensten aan rijke en minder rijke auto-eigenaars. Wie talent had, ook al was hij zo arm als een kerkrat, kon een heel end komen in die tijd. Bill hàd talent, en voor de eerste keer in zijn leven had hij zowaar ook wat geluk. In de jaren 30 werden “midget” races, sprintwedstrijden voor snelle eenzitters in zakformaat, van de ene dag op de andere razend populair aan de Amerikaanse Westkust. Bill bevond zich op het juiste moment op de juiste plaats. Hij werd de  ster van de Californische midget racerij.

“The Giant of the Midgets”  werd hij genoemd.

In 1950 trok hij naar de Indy 500. De Indianapolis Motor Speedway is een weidse, intimiderende plek. Veel coureurs kunnen er nooit hun draai vinden. Bill wel. Hij voelde er zich meteen als een vis in het water.

Marlene, Esther, Bill, Bill jr
De Vukovich legende begon in 1952. Bill reed superieur aan de leiding toen hij, op 20 mijl van de finish, door mechanische pech werd uitgeschakeld. In 1953 leidde hij de race vrijwel van start tot aankomst. Hij dubbelde het hele deelnemersveld. Net zo in 1954. Slechts twee coureurs, Mauri Rose en Wilbur Shaw, was het eerder gelukt back to back te winnen, en nooit met zò veel overwicht. 1955 moest de ultieme consecratie worden. Bill, “die kleine Slaaf” zoals hij zichzelf noemde, moest en zou de eerste coureur worden die drie zeges op rij scoorde. In de 57ste ronde van de wedstrijd kwam hij om het leven in een dwaas ongeval waaraan hij part noch deel had.

Zoon Bill junior was elf, zijn zusje Marlene veertien, even oud als Bill senior toen die zijn vader verloor. Marlene zou later, als ze thuiskwam van school, haar moeder Esther vaak aantreffen in haar kamer, waar ze keer op keer “Memories are made of this” van Dean Martin draaide op de platenspeler.

Bill junior werd tweede in de Indy 500 van 1973. We gunden Gordon “Gordy” Johncock de overwinning, daar niet van, maar het ware zo mooi geweest als Bill junior de race had kunnen winnen, twintig jaar na zijn vader…


donderdag 15 maart 2018

EEN MULTICULTUREEL GAAT MET VAKANTIE...


... met mijn centen. Deze ochtend kwam ik tijdens mijn 10.000 stappen per dag wandeling in het Elzenveld, waar ik Albert Szukalski's beelden 'de kreupele' en 'de blinde' regelmatig een goede dag ga zeggen.
Bij het naar buiten gaan, spreekt een multicultureel met een accent van hier naar ginder, me aan en vraagt of ik een briefje van 5 € heb en toont me 2 stukken van 2 en 1 stuk van 1 € die hij in de plaats wil geven.
Ik wil niet dat iemand zegt dat de Antwerpenaar onvriendelijk is en haal mijn portefeuille boven en wat ontbreekt is een biljet van 5 €. Hij wijst met zijn vinger naar alle betaalkaarten en andere kaarten die een mens bij zich heeft en tikt er even op. Vervolgens vraagt hij of ik dan nog eens 2 € kan omzetten in 2 maal 1 €, want de automaat van de nabije parking neemt enkel 1 € stukken aan.
Als ik mijn geldbeugel uit mijn zak wil halen, valt mijn portefeuille uit mijn handen en de multicultureel is zo gedienstig om ze op te rapen. Ik geef hem de twee stukken van 1 € en hij geeft mij de 2 €. Hij bedankt me duizendmaal en verdwijnt uit mijn gezichtsveld. Even later voel ik toch even naar mijn portefeuille en die zit niet op haar plek, maar in de zak van mijn overjas. Ik voel nattigheid en stel vast dat de 520 € die ik in de laatste zes maanden met kleine beetjes bij elkaar hamsterde, verdwenen zijn, samen met de multicultureel. In het naar huis lopen stel ik mezelf vragen, wanneer is het gebeurd, toen hij op mijn betaalkaarten tikte, of toen hij de portefeuille van de grond opraapte, ik lijk wel in mindfuck terecht gekomen.
Misschien kan ik bij beter de beelden van Szukalski gaan staan als 'de onnozele'.
Als de multiculturele lezer van dit opstel zin moest hebben om mij te vergoeden voor mijn verlies, hij late het mij weten bij de opmerkingen. Gelukkig had ik net nog twee boeken gekocht voor 20 €, anders was ik die ook nog kwijt geweest.


maandag 12 maart 2018

MOORD EN ZELFMOORD


Volgens mij zijn fietsers die het verkeersbord dat een eenrichtingsweg aangeeft, voorbijrijden (vooral dan in een straat waar ook nog stadsbussen rijden) potentiële zelfmoordenaars met voorbedachten rade.
Wanneer diezelfde fietsers dan nog met een
bakfiets of triporteur waarin kinderen zitten dezelfde overtreding begaan, zijn het niet alleen potentiële zelfmoordenaars, maar kunnen ze tegelijk ook potentiële moordenaars met voorbedachten rade worden.

NICE LEGS IF I MAY SAY SO



Dit zijn de Radio City Music Hall Rockettes die in 1945 vertrekken op een USO (United Service Organizations) tournee naar de Pacific. De meisjes zouden heden ten dage vermoedelijk gekruisigd worden. MeToo! MeToo!

donderdag 8 maart 2018

VROUWENDAG 2



Women across Iran have been posting pictures or videos of themselves waving white hijabs, or walking unveiled while holding white hijabs aloft, to protest the gender apartheid they endure in the Islamic republic. @mojtaba_nariman/Twitter

VROUWENDAG



dinsdag 6 maart 2018

MANUSCRIPT FOUND AFTER A LONG PURSUIT



N.I. DANILEVSKY (1822-1885)
WESTERN CIVILISATION FROM A RUSSIAN POINT OF VIEW
By B.L.
1. The idea that history is a cyclic movement of rising and declining
civilizations is by no means an invention of our time. It was formerly
recognized by the stoics, Machiavelli, Montaigne, among others,
although none of these made any serious attempt to test the theory
by comparing it with the historical facts.
2. . This theory was first elaborated in detail by the eighteenth
century Neapolitan philosopher Giambattista Vico, who suggested that
history moves in cycles and called these cyclical movements  ‘ricorsi’.
According to Vico every nation must pass through the same course of
development, according to a universal law. It starts with a period of
heroism characterized by 'barbarism of the senses', rises to a stage
of true civilization and thereupon declines into a hyper-intellectual,
decadent 'barbarism of reason'. Thus every civilization in its rise
and subsequent decline forms a circular movement, the circle being
closed only to give way to a new cycle which is identical to the
previous one, albeit enriched by new values. It is obvious that
Vico's view on the cyclic movement of history was essentially a
spiritual one, in that it implied a definite element of rise
(i.e. improvement).
3. It was not until one and a half centuries after Vico that the
same idea was suggested again and put to the practical test by a
comparison of facts deriving from various civilizations. Even then
the subject was dealt with almost accidentally, as a kind of
digression in the course of a study relating to another subject.

4.  In 1869 the Russian magazine Zaria issued a series of articles by Nikolai Iakovlevich Danilevsky, a natural scientist/civil servant who wrote on the history of language with almost the same ease as on Darwinism, the devaluation of the rouble and on goiter and cretinism in Russia.  These articles, which were published under the title 'Russia and Europe: A Survey of the Cultural and Political Relations between the Slavic and Germano-Roman World', at once raised great interest in Russia, although they remained almost completely unknown to the Anglo-Saxon world. Danilevsky's ideas are nonetheless so large in scope and penetration that he has to be considered a predecessor of Spengler and Toynbee, two of the most famous representatives of his spiritual inheritance. Neither of them, however, pays any attention to him; for the latter, when elaborating his theory, cannot have known him, whereas the former is very unlikely to have had any acquaintance with his work.
5. As is suggested by the title of his study, Danilevsky did not aim at framing a comparative philosophy of civilization - since his actual purpose was to scrutinize the relations between Europe and Russia and to explain why these two entities were enemies and were to remain enemies forever.  This hostile condition, according to the author, must be explained by reference to the instinctive antipathy which Europe harbors towards Russia, and which is inspired by the fact that Russia is not a real part of the declining European civilization but constitutes a rising civilization of its own.
6. The author's description of European aggressiveness against Russia in the course of centuries, and the way he illustrates how Europe has always responded with hostility and distrust 'Russian sincerity and self-denial', deserve even more interest in these days than at the
moment they were first issued. The present-day importance of Danilevsky's study especially relates to the insight it provides in the Slavic view on the unfair treatment given to Russia by its European neighbors. As for the rest, this aspect of Danilevsky's study is irrelevant to our subject-matter, suffice it to say that we recommend reading his work to anyone who deals with the relations between Russia and the West.
7. As already mentioned above, it is merely by way of a deviation from his main subject that Danilevsky puts forward his theory about the development of what he calls 'types of cultural history' - which, for reasons of simplicity, we shall designate as 'types of civilizations’
8. According to this Russian scholar European civilization is by no
means of a universal type, as was the common belief in those days.
Neither is it the only dynamic or progressive civilization; it is but
one civilization out of many and it has no other scope than that of
the Germanic and Roman cultures. Most other civilizations, even the
Greek one to a certain degree, originated outside Europe. The same
goes for Russian civilization since, according to Danilevsky, Russia
does not belong to Europe in that it neither forms part of European
civilization, nor even represents some of its offspring. Russia has
hardly had any part in the life and experiences of Europe; it has,
on the contrary, led an existence on its own.
9. After having settled with the then dominant Eurocentric western
conception of history and culture, Danilevsky exposes his own point
of view. According to him human history consists of a certain number
of 'cultural types', each having their own characteristics and each
contributing in their own way to the common cultural inheritance of
mankind. Danilevsky distinguishes between twelve of such civilizations.
Summed up in a chronological order they are:  the Egyptian, the Chinese, the Assyrian-BabyIonic, the Phoenician-Chaldaic, the Ancient-Semitic, the Hindu, the Persian, the Hebrew, the Greek, the Roman, the New-Semitic or Arabic and the Germano-Roman or European civilizations in the eastern hemisphere; and the Mexican and Peruvian civilizations, which have both come to a violent end without accomplishing their cycles, in the Western hemisphere.
10. Subsequently Danilevsky divides all tribes and nations into three major categories according to the respective parts they play with regard to civilization. The first category consists of those playing a positive, i.e creative part in the development of culture in that they generate the civilizations mentioned above. The second category comprises all such nations or tribes which play a negative, i.e. a destructive part by giving the finishing stroke to decadent civilizations. The third category comprises the large, colorless, average majority of peoples never acquiring an individuality of their own in history, in that they neither manage to build up a real civilization themselves, nor contribute actively to the destruction of a civilization in decline. These peoples do not make history, neither in a positive nor in a negative way; instead they serve as passive material for the positive or negative forces in history.
11. At unspecified intervals within the course of human history, and alongside the positive types of culture, temporary negative forces arise, such as the Huns, the Mongols and the Turks.  By helping dying civilizations to come to an end, and spreading the remnants afterwards, they accomplish a destructive task, after which they disappear again into their former anonymity.  These are called the negative forces of history. Sometimes, however, one and the same people may accomplish both a constructive and a destructive task, as has been the case with the Germans and the Arabs.  A final category is represented by such tribes or nations whose creative forces, for one reason or another, have been stopped in an early stage and which are, therefore, predestined to form neither a constructive (positive) nor a destructive (negative) force in history. They only constitute ethnographic material, some kind of an organic matter penetrating the organs of history, i.e. of the various civilizations. Undoubtedly these tribes contribute to enhancing the variety and abundance of civilizations, but they do not acquire an historical individuality of their own.
12.  Sometimes even extinct civilizations may disintegrate into such ethnographic material, until a new creative principle recombines their parts with a mixture of heterogeneous elements into a new organic part of history, thus giving them a new life and reshaping them as new civilizations. The example of the peoples constituting the Roman Empire of the West is quite illustrative in this respect.
13. Briefly stated, the part played in history by a tribe or nation can be threefold: either the positive, creative part of a cultural-historical type (a civilization), or the destructive part of the so-called 'scourge of God (Attilla) whose task consists in giving the finishing stroke to petrified civilizations on the verge of expiring, or the part of merely serving as ethnographic material for other peoples' purposes.
14. In the further course of his study Danilevsky formulates five universal laws or regularities which apply to all nations in analogous stages of development. The fourth of these laws emphasizes the demands of variegation and independence to be met by the peoples constituting the ethnographic material of the civilization. This law is therefore of great importance for our time.  An interesting aspect of this law is that, more than seven decades before Toynbee, Danilevsky put forward the principle that a civilization is the true unit of the study of history.  In Ancient Greece a separate history of Athens or Sparta is inconceivable beyond the framework of Greek civilization as a whole.  Neither can the history of France, Germany or Italy be studied outside the context of European civilization.  Countries which do not form part of one and the same civilization, on the other hand, have little in common and therefore their respective histories should be dealt with independently.
15. Of even greater importance for our subject, however, is Danilevsky's
fifth 'law':
'The evolution of civilizations is similar to that of superannuated plants: they live during an indefinite period of time but have only a relatively short period of flowering and fruit-bearing, which exhausts them for good and all.'
In a closer elaboration of this law the author puts the case that as a rule a civilization passes through three stages of development. In the first stage, which we might call antiquity, the population in question only forms 'ethnographic material'. This stage may last for thousands of years and ends as soon as the unorganized, merely ethnographic way of living passes into an organized society.  The second (or middle) stage which enters then, comprises the growth of cultural and political independence. This is the period during which are built up the creative forces constitutive for the third stage, which is the stage of 'true civilization'.  In this stage civilization fully develops its productivity and realizes its ideals with regard to personal and social welfare.  This period is comparatively short -from four to six centuries - since the creative activity makes high demands upon its forces.  According to Danilevsky no civilization whatsoever 'has the privilege of endless improvement, and every nation sooner or later gets tired and exhausts its creative forces in the long run'.
16. Consequently the period of flourishing is followed by a period
of decline. As so often in nature, this process of decline starts
long before its outward symptoms can be observed. It may even already
have started when, seen from the outside, a civilization is still
flourishing and seems to go through its heydays. Especially in view
of Europe Danilevsky even claims that the weaker the creative force
of a civilization becomes, the stronger its want for expansion and world-power will manifest itself.
17. Degeneration leads either to a condition of apathy, self-satisfaction and petrification - in which the ideals of the past are imitated 'ad infinitum' as petrified (or dead) models - or to a period of great political and social oppositions and conflicts. The latter condition, however, usually sooner or later changes into the former state of petrification.
18. On the basis of these general principles Danilevsky formulates his explanation of the inevitable hostility between the European and Slavonic-Russian civilizations. According to him, the latter is passing through an intermediary position from the second to the third stage, whereas the former, being five hundred years older, has already reached the end of its flowering-age. The decay of European civilization therefore, according to Danilevsky, must already have set in in the seventeenth century. Yet it became only observable in the nineteenth century and manifested itself in a weakening of its creative forces, a slackening of Christian faith, increasing cynicism and a desire of world-dominion on the political as well as on the economic and cultural level.  This desire of Europe to impose its own culture on the whole world makes any form of friendship with the younger and more vigorous Russian civilization impossible, especially since the latter regards it as its historical task to bridle Europe's ambitions. Once Europe will have settled its own internal problems, Danilevsky assumes, a war with the unified Slavonic world will be inevitable. In this confrontation, however, the latter will appear as the victor over the senile and exhausted Europe and will take over the leadership of the world. After all, Danilevsky's study not only turns out to be a brilliant essay in the field of the philosophy of culture and cultural sociology, but also - and perhaps mainly -to contain a witty and exact political prediction.  There is, indeed, a striking similarity between his ideas about the relation between Russia and Europe and their respective futures, and the ideas of the Soviet government about the same issues. If one omits Marxist terminology and some characteristic details from the contemporary political propaganda of the Soviet leaders, Danilevsky's ideology and that of the masters of the Kremlin with regard to the relations between Europe and Russia are essentially the same.  'A most conservative Slavophile and the Communist Politbureau shake hands with each other, one can hardly imagine stranger bedfellows (1) .
In his Üntergang des Abendlandes Oswald Spengler replaces the current idea of the history of mankind as a unity centering round Antiquity and Western Europe by a conception of organic cultures standing side by side. He calls his discovery 'die Tat des Copernicus' by which the so-called Ptolemaic Eurocentric system is abolished.  Only few people are likely to know that Spengler's discovery was anticipated by Danilevsky. Danilevsky's 'Russia and Europe, published in 1867, already contains the same pluralistic doctrine of organic cultures as was put forward afterwards by Spengler, including the latter's denial of the unity and continuity of the historical development of mankind and his disavowal of the universal meaning of European culture.
19. That Danilevsky, as a Russian, fostered such ideas becomes under­standable if one knows, among other things, that the Russians have always shown a critical attitude towards Europe, even to the degree that the early thinkers of the nineteenth century elaborated this criticism into a philosophy of history. Whereas the latter still hold basically universal ideas, Danilevsky on his part disavows any cultural connection between Russia and Europe. In this disavowal he was influenced by the Krim war events, which pushed Russian nationalism in general into the direction of strong anti-Western feelings.

20. According to Danilevsky, the idea that European culture is the eternal bed in which the stream of evolution will ever continue to flow and fertilize all nations and peoples, is as erroneous a view on cultural history as the Ptolemaic system was for the discipline of astronomy. Also in the field of zoology it was not until Cuvier suggested his classification according to morphological types, that the older idea of a hierarchical system of species based on subordination was dropped. There are degrees of natural evolution, to be sure, but only within each type. The same goes for the division of history in periods like antiquity, Middle Ages and modern times, which only applies rightly if it is made within each cultural type. For there is no such thing as one universal culture, but there are a certain number of cultures.
21. Danilevsky's philosophy of culture shows striking similarities to
Spengler's.  Not only does it stand comparison with the Copernican discovery, but it also rejects the universal scheme of European Antiquity-Middle Ages-Modern Times and the unity of historical evolution; it modifies the idea of humanity and cosmopolitanism; it understands cultures as organic beings with a regular course of growth, flowering, fruit-bearing and dying, so that even the further  course of non-accomplished cultures is predictable.
22. Although they slightly differ in their respective classifications of cultures, both Danilevsky and Spengler consider Western Culture worn out as opposed to Russia, which despite their diverging ideas about the true nature of the Russian culture they both regard as the nation of the future.
23.    On the other hand their approaches also show remarkable differences. Deriving their ideas mainly from the physical sciences, both Danilevsky and Spengler treat their historical material with a brilliant inexactitude. However, whereas Danilevsky's argumentation, combining scientific regularity with a sarcastic one-sidedness, is essentially rational, Spengler's approach is highly irrational; it is almost the view of a prophet. Yet Spengler's knowledge is broader and his interpretation more deep-going than Danilevsky’s. Spengler attempts to understand the 'soul of a culture' from the symbolism of its art and science (mathematics), whereas Danilevsky, according to the Hegelian recipe, remains more formal:  the Greeks are the worshippers of beauty, the Romans are the founders of law and the nation, the Jew's of Monotheism, Western Europe introduced the physical sciences, etc. In other words: Danilevsky differs from Spengler in that he shows more remnants of universalism than is consistent with his pluralistic conception of historical evolution.
24.  Despite these differences, the question remains whence the striking similarities come. Did Spengler know Danilevskys 'Russia and Europe'? This may seem rather improbable at first sight, since Spengler completed his work in 1922 (the first volume appeared in 1918), whereas a German translation of Danilevsky's book was not published until 1920. Spengler may however have read Danilevsky in the original version, since there are strong indications that he knew Russian.
25. Or, can both theories be traced back to a common source? The latter supposition seems to rest on stronger evidence than the former (at least for the time being). The similarity between Spengler's and Danilevsky's ideas can be explained by the fact that Spengler's morphology of Cultures is a historical application of Goethe's idealistic morphology, whereas Danilevsky was influenced by the French biologist Cuvier, who was a contemporary of Goethe and whose classification of species was based on similar morphological ideas.
26. An alternative explanation lies in the assumption that both scholars derived their theories from a common German source, namely from the German historian and philologist Heinrich Ruckert, whose 'Lehrbuch der Weltgeschichte in organischer Darstellung' (1857) introduces the concept of various cultures coexisting throughout the history of mankind ('Kulturreihen'). This assumption however loses much of its explanatory force in that, contrary to Danilevsky’s revolutionary view on the development of civilizations, Ruckert still adheres strongly to the traditional universalistic and Eurocentric ideas about historical evolution.  Especially the idea that the evolution of organic cultures in its regular course involves the decline of Europe and the rise of Russia - i.e. the basic idea shared by both Danilevsky and Spengler - is totally missing in Ruckert's work.
27.  Therefore it appears most plausible, after all, to assume that
Spengler did know Danilevsky's work and was influenced by it. At any
rate, it seems legitimate to consider Danilevsky a remarkable predecessor of the German historian.
'We have here an example of a work whose vitality has increased rather than decreased in the course of time, for two reasons: the character of Danilevsky's philosophy of history in general, and the contemporary tension between Europe and Russia that makes Danilevsky's views startlingly up to date. His "Russia and Europe" is more alive today than it was eighty years ago.’