Bedenkingen, mijmeringen, oprispingen.

woensdag 28 maart 2018

HOMMAGE AAN LEONARD NOLENS


Leonard Nolens
In Gent wordt een hommage georganiseerd aan Leonard Nolens. Alles wordt in elkaar gezet door de KANTL, Poëziecentrum en de Vakgroep Letterkunde (afdeling Nederlands) die verschillende gastsprekers het woord geven en vervolgens is er de voorstelling van het Nolens Handboek (een uitgave van Poëziecentrum of wat dacht je?). Ook Bibliotheek De Krook (het Engelse crook zou hier misschien beter passen, want ze graaien hiermee uiteraard in de subsidietrog) participeert in het evenement en draagt bij tot een brede publieke belangstelling. Brede publieke belangstelling voor gedichten? Mijn oor, ja. Mijn ervaring inzake deze belangstelling is wat ik ooit tegen de stichter van de poëziekrant zei: "Welke van je abonnees ken je niet persoonlijk?" De performers van Auw La zullen bovendien gedichten van Nolens naar de straat brengen door ze in de oren van voorbijgangers te fluisteren, die de performers waarschijnlijk voor gekken zullen houden, omdat ze geen ene moer begrijpen van de tekst.
Nolens (1947) is vandaag een van de meest geprezen en geprijsde schrijvers van de naoorlogse literatuur in het Nederlandse taalgebied. Zowat alle literaire onderscheidingen met prestige zijn de inmiddels zeventigjarige dichter te beurt gevallen. Wanneer men het prijzengeld optelt en daarbij de gelden voegt die hij uit de subsidietrog krijgt, zou het wel eens kunnen dat men beter over prins Nolens spreekt, dan over prins Laurent.
En ik sta niet alleen met deze boude redenering. Op 19 januari 2014 schreef Hendrik Carette in Mededelingen van het Centrum voor Documentatie & Reëvaluatie:
Hendtik Carette
Het decembernummer van de Poëziekrant (jaargang 37, nr. 8) is een bijzonder themanummer gewijd aan de dichter Leonard Nolens (°Bree, 1947) met niet minder dan vijftien foto’s van de vereerde Meester die ook hier niet één keer lacht of ook maar een zweem van een glimlach vertoont. Enkel de foto op pagina 31 (met zwarte baard en zwarte of donkerbruine hoed en een warme dure mantel met bontkraag) laat de toen nog jonge Nolens, die toen nog niet zo leed onder de loden last van het leven, ons even een minder getormenteerd gezicht zien.
Het is een mooi stijlvol nummer geworden met een nieuwe cyclus van zeventien genummerde gedichten (verspreid over het hele nummer) onder de titel ‘De kuur’ met bovenaan een passend citaat van Henri Michaux dat in het Nederlands wordt aangeboden zonder vermelding van de oorsprong. Enkele dichters zoals Johan de Boose, David Troch en Ellen Deckwitz mochten een gedicht, opgedragen aan de Meester, publiceren en Marleen de Crée die ook geboren werd in Bree (het rijmt zonder rijmdwang) mocht een hele cyclus ‘Bree-intra muros’ aanbieden aan de lezers en beate bewonderaars van Nolens. Zij schrijft zonder hoofdletters in haar sobere hermetische stijl en deze cyclus van haar staat hier eigenlijk in een mooi contrast. Het hele nummer opent met een mooi maar wat ambigu dankwoord van de dichter : ‘Goedemiddag Majesteit, Goedemiddag beste familie en vrienden, geacht publiek’ waarin Nolens eerlijk bekent en goed formuleert hoe moeilijk hij het wel heeft met het danken in het algemeen en in het bijzonder bij het bekomen van een Grote Prijs. Uit dit slechts schijnbaar plechtig dankwoord blijkt al hoe deze dichter worstelt met zichzelf en met zijn Umwelt. Zijn succes bij een breed publiek van vooral academici en beroepslezers, maar ook bij een groot aantal lezende vrouwen en mannen die als het ware bezwijken onder de charme van deze monomane dichter is een bijzonder fenomeen.
De lange en indringende bijdrage ‘Het zwaaibeen van de passer’ van Pascal Cornet is misschien wel de meest relevante tekst omdat Cornet even dieper ingaat op het proza van Nolens. Dagboek van een dichter 1979-2007(Amsterdam, 2009) telt meer dan duizend bladzijden en eigenlijk ben ik een beetje kwaad op mezelf dat ik deze dikke turf nog niet heb gelezen. Maar hoewel ik graag afdaal in goudmijnen (‘Het dagboek is de goudmijn, het gedicht is het goud.’ volgens Nolens ) kom ik ook weer graag in de open lucht om daarna weer in mijn eigen zoutmijn af te dalen… Cornet stelt een scherpe identiteitsvraag die hij dadelijk zèlf beantwoordt, want ja, ook dit dagboek sluit nauw aan bij het hoofdwerk : de gedichten. Als hogepriester van zijn eigen priesterschap schrijft Nolens : ‘Een kunstenaar is dag en nacht de ceremoniemeester van zijn eigen banaliteiten en plechtigheden.‘ En in zijn geval moet dit wel een bekentenis zijn die kan tellen. Wat is de ware gestalte van de schrijnende Nolens die als een poëticale poseur door de kamers en zalen van zijn aura als doorheen een aula schrijdt ? Is hij een letterdief? Neen, hij gaat niet ten onder aan een teveel van verwijzingen of verstolen citaten. Is hij een letterknecht? Neen, hij is geen literaat en schuwt elke gevaarlijke polemiek die zijn aureool van hogepriester van de lyriek zou kunnen verstoren. Is hij een poseur? Neen, zijn persoonlijk masker is vergroeid met zijn persona. Is hij de waardige opvolger van Maurice Gilliams? Nee, daarvoor schrijft en publiceert hij aan een te hoge frequentie. Is hij een wilde experimentele dichter? Neen, hij verliet de groep Labris omheen Max Kazan al heel snel. Is hij een poète maudit? Neen, hij wordt en werd overladen met literaire prijzen en rijkelijk uitgestrooide subsidies. (Hij moet trouwens de rijkste dichter van Vlaanderen en omstreken zijn!) Is hij een dansende derwisj? Neen, een danser spuwt geen woorden uit. Is hij de nieuwe Mallarmé die in het harde marmer werkt? Neen, hij werkt in de taaie taal die Nederlands heet. Is hij een taaltovenaar zoals Guido Gezelle? Neen, deze Limburger zingt wel, maar niet als die priester. Is hij een mystieker?
Neen, hij is een echte egotist. Hij is gewoon de buitengewone Nolens. En zijn mooiste gedicht blijft voor mij dat gedicht over die Russische duikboot de Koersk die in het jaar 2000 op een diepte van 108 meter op de bodem van de Barentszee zonk. En daar in dit gedicht vergat Nolens even zichzelf en hoor je de radeloze angstige bemanningsleden die kloppen op de metalen wand van die Russische kernonderzeeër. Maar helaas niet één van al die geleerde professoren in de lyriek en andere beroepslezers hebben dit mooi en aangrijpend gedicht in deze Poëziekrant van commentaar voorzien.
Hendrik CARETTE

2 opmerkingen:

  1. Het "Koersk-gedicht" van Freiherr (in casu een politieke titel) Leonard Nolens... of is hij nog niet Baron? Pourquoi donc pas? Ik ken er een paar die de titel voor enkele luttele honderdduizenden oude belgische franken kochten. Misschien waren de subsidies niet toereikend om deze titel aan 'te kopen'...

    Wij blijven voor altijd beneden.
    Wij krassen ons enig houvast
    In de flanken, de lekkende bodem
    Van een dronken wrak.
    (https://www.lyrikline.org/de/gedichte/de-kapitein-van-de-koersk-1119#.WrtY5X--nIU)

    BeantwoordenVerwijderen
  2. De kamer van volksvertegenwoordiging is op zoek gegaan naar geld om Nolens te kunnen blijven steunen en heeft dat geld gevonden bij prins Laurent.

    BeantwoordenVerwijderen