Dit verhaal van Marc Pairon wil ik jullie niet onthouden.
Over ‘uitwijken’
De Oriëntale Pyreneeën, waar het naar
de zilte wind van een onzichtbare Middellandse Zee ruikt, is het schuiloord van
de montagnards. Catalanen zijn de fierste telgen van de Fransozen. Ze lopen er
stralend bij. Zelfvoldaan. Omdat ze hun eigen gewoontes hebben, hun eigen taal,
het patent op siësta’s en hun eigen grondgebied: onder meer dit wrede en
machtige lapje gebochelde Frankrijkland.
Welk volk zou niet trots zijn op het
moedige van haar onverschrokken daden: hoe zij destijds, in een
periode uit de geschiedenis dat het nog betaamde ongewenste toestanden met
barbaarse remedies op te heffen, hun koningen vermoordden. Door het
goocheltrucje van een revolutie: hoe blauw bloed in een handomdraai rood wordt.
‘Vive la République!’
Hoogstens een derde van de bevolking
op de flanken van de Oriëntale Pyreneeën overwintert er daadwerkelijk. Omdat
het jaargetijde van de dood – hoe kort zij ook haar venijn laat zien – voor
leken genadeloos is. Veel strenger dan bar. Met veel meer sneeuw dan het nog
kunnen onderscheiden van hoogteverschillen. Wanneer de anders overheersende
steeneiken nergens meer te bespeuren zijn. De doordringende geur van wilde tijm
niet meer te ruiken is. En de stilte geruislozer dan ononderbroken
onderbrekingen. Je alleen nog het mijmeren van je gedachten hoort, de scherpe
en onregelmatige geluiden van het kraken tegen de binnenkant van je hoofd. De
daden van het denken die steeds, zelfs wanneer je daar in het begin van de
winter nog creatief mee omspringt, op dezelfde bevindingen neerkomen. Dat er
niets meer is dan het er alleen voorstaan en het te laat is angstig voor
vereenzaming te zijn, want zolang het blijft vriezen geraak je niet meer terug.
Vermits je nergens onder de torenhoge sneeuw de ezelspaden terug kan vinden.
En aftellen mag je niet, zeker geen
dagen of uren aanvinken, want dan wordt de kans groot dat Pietje de Geestdood
je komt halen. En uit de twilightzone naar het gemis aan gezond verstand, dan
mag het nog voor derden een gezellige gekte zijn, kom je nooit meer terug.
Omdat de gapende wonden van vereenzaming, hoe dan ook, nimmer genezen.
Vandaar dat het lokale helden zijn, de
montagnards. Door de dorpelingen terecht met respect bejegent. Tijdens de
andere jaargetijden bij de kruideniers en slagers, ‘Pour le moral’, altijd iets extra’s krijgen toegeschoven. Omdat zij
de bergbewoners van de zes seizoenen zijn, het laatste telt voor drie, en over
een zo sterk en zuiver gemoed beschikken dat ze het jaar na jaar weten te
overleven. Je herkent hen aan hun prachtige getaande aangezichten, want
jongeren krijg je niet meer gek voor dat ongenadige gebergte, en aan hoe ze
nooit met volzinnen spreken, het Catalaans gebruiken waartoe het dient: om het
hoognodige kenbaar te maken. Zonder franjes.
Een
enkele dwaze Vlaming heeft er zich ook weleens aan gewaagd aldaar de winter te
verschalken. En een paar lichtzinnige Nederlandse gesubsidieerde kunstenmakers.
Dat zijn veelal uitgeweken opportunisten die menen over het vermogen te
beschikken kunstwerken te scheppen, ofschoon voor hun beschamend geknutsel, het
knippen en het plakken en het verkwisten van canvas en verf, geen bijzondere
bekwaamheid verreist is. Laat staan dat die knoeiboel schoonheidsontroering zou
kunnen veroorzaken. Hun enige discipline die voor een toelage van de
gemeenschap in aanmerking zou kunnen komen is hoe ze zelf hun bij elkaar
geprutste rotzooi waanzinnig zinnig weten te duiden. Daar de meest
onwaarschijnlijke intellectueel klinkende praatjes over kwijt kunnen. En dat
willens en wetens volhouden. Tijdens elk gesprek.
Het was pas na het smelten van de
winter dat ik Wim kon gaan bezoeken, hopende op het nodeloze van mijn
ongerustheid. ‘Omdat het toch slechts een kleine drie maanden geleden was,’
overwoog ik en herinnerde me hoe hij met dat ‘het een unieke uitdaging zou
zijn’ mijn goedbedoelde raad als prietpraat afwimpelde.
‘De beste manier om jezelf tegen te
komen,’ verdedigde hij het. ‘Los van alle aardse beslommeringen. Geen
elektriciteit, geen telefoon, geen rekeningen, niks van die onzin.’
Het uit golfplaten, oude planken en
ruwe boomstammen opgetrokken berghutje, ik schat het op vier meters in het
vierkant, lag in een woud van kurkeiken verscholen. Zowat zestig kilometers ten
noorden van Perpignan, vijftien ten noordoosten van Prades. In de buurt van het
dorpje Olette. Daar bevond het cabannetje zich: op drie uren wandel- en
klimafstand vanaf de enkels van de stoere bergketen, die Cabrils werd genoemd,
naar een gemeente in het Spaanse Catalonië. De enige mogelijkheid om er te
geraken was het te voet volhouden, over onbeduidende paden, waarvan het dorre
gras door sporadische voorgangers was platgetreden.
Al van ver nam door de uit het bos
opstijgende rookpluim mijn bezorgdheid af. Behalve over mijn conditie: hoe die
kuiten tegenstribbelden en van lieverlee het hijgen de nog kortere ademstoten
van het puffen werd.
Het voor geen mens bestemde houten
richtingbord met daarop de ingebrande letters ‘Casa de la perdeu’ luidde de laatste loodjes in. ‘Casa de la perdeu’ is Catalaans voor
‘patrijzenwoning’ of staat voor ‘huis van God’, wist ik van Wim.
Vermits de hengsels het blijkbaar
begeven hadden hoefde er niet aangeklopt te worden.
‘Hé, Wimpie!’ tikte ik mijn gabber,
hem herkennende omdat het niemand anders geweest kon zijn, vrolijk op de
schouders. ‘Alles kits, jongen?’
Hij keek verdwaasd op en het was
misschien aan zijn inmiddels lange en slordige baardgroei gelegen dat ik zijn
glimlach niet kon zien.
Schaapjes rook ploften uit zijn mond.
‘Je hebt het dan toch maar gehaald,’
merkte ik bemoedigend op. ‘Met je voorraad Gauloises.’
‘Eigenlijk mag ik het niet,’ zei hij
zuchtend, alsof hij zich hardop bedacht.
‘Euh … wat mag je niet, Wim?’
‘Roken. Omdat Gauloises zonder filter
geen biologische preparaten zijn,’ zei hij, zonder mij aan te kijken.
‘Ach, Wim,’ stelde ik hem gerust. ‘Je
kunt je toch niet alles ineens ontzeggen. Dat komt wel goed!’
Het gietijzeren potkacheltje, met
daarop een afgebladderd stomend keteltje, verslond mastenhout. Tientallen lege
etiketloze wijnflessen lagen kriskras over de grond – die eveneens als grote
asbak diende – van het barakje verspreid. Vijfduimers fungeerden als
kleerhangers. Voor vunzige truien. En een gecraqueleerde leren jekker. Onder
het bed zag en rook je de vaatwas staan. De ramen waren met lege plastic
voederzakken, op de tochtspleten na, dichtgespijkerd.
Op eigen initiatief zette ik mij in de
tweede, net zo goed met uitpuilend kapok, duffe zetel. Recht tegenover Wim. Met
tussen ons in een nergens bij te zetten bijzettafeltje.
Naar de spierwitte schilderdoeken
wijzend, die om en om tegen de bedsponde stonden, vroeg ik ‘En, geen inspiratie
gehad, Wimpie?’
‘Net wel,’ ontkende hij. ‘Dit is het beste
wat ik ooit gemaakt heb. Dat wordt scoren!’
‘Maar, sorry, Wim,’ zei ik
vriendelijk, ‘er staats niets op die doeken. Die zijn nog egaal wit.’
‘Niet nog,’ beweerde hij. ‘Dat wit is
mijn schepping. Heb ik er met mijn penselen op aangebracht.’
‘Oh,’ concludeerde ik. ‘Je hebt het
wit met wit overschilderd?’
‘Neen,’ herstelde hij me. ‘In de kleur
van het volle licht. Zie jij verschillen?’
‘Totaal niet, Wim.’
‘Daarom dus. Ik zei het al: het is
perfect. En normaliter bestaat volmaaktheid niet in de kunst, maar vanaf nu, na
ik dit gemaakt heb, wel,’ zei hij overtuigd en vervolgde, ‘Nog lang na mijn
dood zullen ze me prijzen, omdat ik een nieuwe dimensie aan de
kunstgeschiedenis heb toegevoegd. Ik ben veel verder gegaan dan noem maar op,
het ‘composition trouvé’ van
Guillaume Bijl en het driedimensionale van Lucio Fontana.’
‘Maar, Wim,’ opperde ik, ‘nogmaals
mijn excuses voor mijn onwetendheid, ik merk niets aan die doeken.’
‘Bedankt,’ zei hij. ‘Ik vind ze zelf
ook fantastisch. Maar goed dat ik hier gebleven ben. Het eeuwige licht gezien
heb. De ene ingeving na de andere heeft mij dat opgebracht. Zo diepgaand kom je
anders niet, als je het zelf niet hebt meegemaakt. ‘Sneeuwblind’ noem ik de
reeks. Het is een complete tentoonstelling. Je mag alleen nog maar wit zien.
Zonder hoogte- of diepteverschillen. Dan is het opzet geslaagd. Zoals wanneer
sneeuw twee meter of meer dik ligt.’
‘Ach, op die manier,’ begon ik het al
beter te begrijpen. ‘Ja, dan is het inderdaad wel treffender kunst dan het
algemeen gemiddelde.’
Wim stond op en nam uit het piepende
buffetkastje een alvast geopende fles wijn, vulde twee glazen tot bijna tegen
de rand en zette ze op het bijzettafeltje.
‘Om het te vieren,’ zei hij en tilde
zijn glas bevend naar zijn mond.
‘Gadverdamme, echt niet te zuipen, die
pinard,’ dacht ik bij mezelf. ‘Net een stroperige gezoete wijnazijn.’
‘En?’ vroeg Wim, ‘Is het wat?’,
terwijl hij de zogeheten wijn een zijdelingse blik toewierp.
‘Wel, maatje,’ klaagde ik zacht
kermend, doordat van die eerste en voor wat mij betrof laatste slok mijn maag
al behoorlijk in opstand kwam. ‘Eerlijk gezegd: niet direct mijn ding.’
‘Eigenlijk mag ik het niet,’
redeneerde Wim en beet de volgende teug uit het glas. ‘Alcohol. Maar ja, anders
staat die rotzooi hier toch maar te verzuren.’
Schaapjes rook en een slok zogenaamde
tafelwijn.
Schaapjes rook en een slok wijn.
Telkens hervulde hij zijn glas door de
fles bijna verticaal te houden. Je hoorde het bruinrode, met weet ik wat voor
vieze troep vermengde, druivennat uit de fleshals klotsen. Van zijn kwistig
gemors vertoonde het bijzettafeltje geen rode vlekken meer, maar was inmiddels
van het marineren paars gekleurd.
Schaapjes rook en een slok wijn.
De stiltes duurden langer dan
interlinies op het papier.
‘Weet ik,’ beantwoordde hij mijn
afkeuring van minuten eerder, ‘dat het niet te zuipen is.’ En herhaalde het
‘anders staat die rotzooi hier toch maar te verzuren’.
‘Gezellig,’ wilde ik het over een
andere boeg gooien, ‘de kaarsen.’
‘Ja, sociaal,’ bevestigde hij. ‘Zo
meteen komt Marijke.’, terwijl hij naar een roestige wekker wees, die ofwel
stuk was of niet meer opgewonden.
‘Oei,’ dacht ik beklemmend, ‘hij
begint over Marijke! Dat zit hier niet snor.’
Pas toen merkte ik dat hij het lage
tafeltje naast de gammele buffetkast met ongewassen borden en bestek voor twee
gedekt had. Met groenblijvende twijgjes
van de steeneik en gedroogde paddenstoelen versierd.
‘Mijn god,’ bedacht ik verder, ‘hij
wist hoegenaamd niet dat ik kwam. Dat was een verrassing. Shit, hij dekt voor
Marijke! Hoe lang zou hij dat al doen?’
En inderdaad, bij nader inzicht: zijn
ogen keken noch mij, noch welbepaalde zaken aan. Ze keken overal doorheen,
staarden naar het land van pijn, waar niemand ooit wilt zijn. Koud zweet had
geulen, als die van woeste bergbeekjes, in zijn voorhoofd gegraven. Op zijn
gezicht stond in dikke en brede letters ‘angst’ te lezen. Zijn lange,
ongewassen haren rustten op de ingezakte schouders. Het waren niet zijn handen
op zich, maar zijn hele lijf trilde. De liters en liters en hectoliters
misselijkmakende tafelwijn martelden zijn evenwicht.
Elk van zijn bewegingen verliep zo
moeizaam, zodat het aangrijpende belevenissen waren. Zoals hoe hij met elke
peuk de volgende sigaret aanstak en zijn bodemloos glas bleef aanvullen.
Ik nam mijn mobieltje.
‘Werkt hier niet,’ zuchtte Wim, dan
toch opmerkzaam. ‘Geen bereik.’
‘Ja, daar kom je natuurlijk nooit echt
overheen,’ mijmerde ik. Toch was ik van mening geweest, ik moest me schromelijk
vergist hebben, dat hij het van Marijke, ondertussen zeker meer dan tien jaren
geleden dat het gebeurd was, inmiddels redelijk verwerkt had.
‘Ik zei het nog, verdomme!’ overwoog
ik verder. ‘Dat stomme gedoe van met de impact van een isolement te willen
experimenteren!’
‘Wimpie,’ sprak ik hem lieflijk aan,
‘ik ga hulp halen. We moeten hier weg, jongen. We gaan naar huis. Het komt wel
goed.’
‘Wij hebben de sneeuwvlokjes altijd
samen geteld,’ fluisterde hij. ‘Marijke en ik. Vanuit de portiek. Zij deed de
rechter- en ik de linkerkant van de open plek, net zoals wij het bed verdelen.’
Ik stapte op hem toe en nam hem in de
armen, hem krachtig tegen me aandrukkend.
‘Luister, Wimpie. Ik zal me haasten.
Ik ben voor het nacht is terug. Daar mag je op rekenen.’
‘Sneeuw valt niet,’ fluisterde hij verder,
‘maar dwarrelt traag, of de vlokken moesten door een windstoot geholpen zijn,
maar die diskwalificeerden wij.’
‘Wim, ik moet nu echt gaan!’ probeerde
ik hem kordaat tot enige rede te brengen.
‘Niet evident,’ zei hij, door een
ongemakkelijke glimlach begeleid, ‘dat tellen. Een echte warboel, die
sneeuwvlokken. En je hebt maar de tijd tot ze op de grond liggen. Daarna hou je
ze niet meer uit elkaar. Plus dat ondertussen de rest blijft komen. Dat bleef
maar komen!’
In de late namiddag werd Wim door een
interventieteam ontzet. Met een helikopter. Dat schijnt daar het vervoersmiddel
te zijn waar men in volle winter, wanneer door veel sneeuwval hoger gelegen
gebieden onbereikbaar zijn, de koeherder en zijn kudde mee bevoorraad. Met hooi
en zoutsupplementen. En vers vlees voor de afgerichte honden. En veel
tafelwijn. Voor de vacher. ‘Als
afdoende remedie tegen vereenzaming,’ verzekerden de bewoners van het bergdorp
me.
Wim was veel verder afgedwaald, dan
dat ik het aanvankelijk inschatte. Onvoorstelbaar wat een paar maanden van de
buitenwereld afgesloten zijn met een mens kan aanrichten. In het hospitaal van
Prades noemde hij me Bert. Ik ken zelfs geen Bert. Ook geen enkele uit zijn
vriendenkring.
‘Bert?’
‘Ja, Wimpie?’ antwoordde ik dan maar,
omdat het weerleggen mij op dat ogenblik niet erg zinvol leek.
‘Heb je mijn schilderijen meegenomen?’
‘Tuurlijk. Daar had je trouwens al te
uitdrukkelijk om verzocht,’ bevestigde ik. ‘Alles is onder controle. Die doeken
hebben ze samen met jou ingevlogen.’
Naar verluidt had Wim sinds weken
niets meer gegeten, alleen van die bruinrode siroop gedronken, en gerookt
natuurlijk, wegens te weinig proviand. Dat hadden de Catalanen hem nochtans
vooraf duidelijk ingeprent. Dat er drie primaire behoeften waren, wilde men de
ontberingen van een strenge winter in het hooggebergte lichamelijk te baas
kunnen. Zoals het voldoende voorraden van niet bederfelijke doch voedzame
etenswaren aanleggen. Tweemaal daags het traag stromende bergbeekje, dat op
loopafstand van het ‘Casa de la perdeu’ voorbij kabbelde, ijsvrij
houden, omdat hij daaruit zijn waterverbruik diende te putten. En knielen voor
de wetten van Moeder Natuur, want wanneer je niet met haar in een staat van
symbiose leeft, straft zij je genadeloos af.
‘Nog niets van mijn doeken verkopen,
Bert,’ vroeg Wim me op smekende toon. ‘De collectie ‘Sneeuwblind’ moet
ongeschonden blijven, wil hij optimaal ontroeren.’
‘Wimpie,’ deelde ik vertederd mee, ‘ik
begrijp dat je vervoerd bent, maar laat de kunst nu maar even rusten. Je moet
zo snel mogelijk op krachten komen. Dan mag je terug naar Nederland.’
‘Er zijn geen wegen in de sneeuw,’ gaf
hij te kennen. ‘Alleen de sporen van vogels.’
‘Die fluiten nu terug uit volle borst,
Wimpie,’ stelde ik hem gerust, terwijl ik het raam van de ziekenkamer open
kantelde. ‘Luister zelf maar, nog even en je mag terug naar de lente van
Nederland. De eerste tulpen, die jij altijd zo gevat weet te schilderen,
bloeien al.’
‘Ja,’ beaamde hij, ‘dat vindt Marijke
fantastisch: Keukenhof.’
Marc Pairon