Afgelopen zondag 7 juni veertig jaar
geleden, 7 juni 1970, trok ik samen met een makker per trein naar Francorchamps
voor de Grote Prijs Formule 1. Voor hem de eerste keer, voor mij de derde. Ik
had in 1967 Dan Gurney zien winnen in zijn machtige Eagle-Weslake en een jaar
later Bruce McLaren in zijn eigen McLaren-Ford, de eerste zege van een McLaren
in de F1.
In
1969 was er geen Grote Prijs van België geweest. Jackie Stewart had het
oer gevaarlijke oude stratencircuit, 14 kilometer en centiemen doorheen velden
en dorpsstraten, afgekeurd; zijn vakbroeders hadden zijn advies gevolgd en
hadden geweigerd te racen. In de Franstalige pers werd Stewart uitgescholden
voor het vuil van de straat maar de Schot hield glimlachend het been stijf. Om
de Grote Prijs terug op de agenda te krijgen, zou er voor vele miljoenen (in
die tijd nog franken…) moeten geïnvesteerd worden in veiligheid. Wat de
organiserende Royale Automobile Club de Belgique uiteindelijk deed,
schuimbekkend, maar het alternatief zou geweest zijn de organisatie van de
Grote Prijs kwijt te spelen aan -Godbetert!- het Vlaamse Zolder! Het Francofone
België stond op zijn achterste poten, eiste subsidies van Brussel en liet het
werk uitvoeren door Vlaamse firma's. Er is op veertig jaar tijd op sommige
vlakken weinig veranderd.
1970
zou echter sowieso de laatste keer zijn dat de Grote Prijs werd verreden op het
glorieuze oude stratencircuit, waar het hedendaagse onnozele
Mickey-Mousebaantje volstrekt niets meer mee te maken heeft. De Formule 1 en,
met enige vertraging, de rest van de wereld betraden argwanend het politiek
correcte Nirwana van health and safety.
Francorchamps
1970 zou ook de laatste keer zijn dat we Piers Courage, een van onze helden in
de Formule 2 op het circuit van Zolder en een van de laatste gentlemen
drivers, zouden zien racen, maar daarover zo meteen meer.
 |
| De Can-Am auto van juni 1970 |
Wie
er niet bij was bij de start op die 7de juni 1970, was de winnaar
van 1968, Bruce McLaren. Bruce was vijf dagen eerder op het circuit van
Goodwood om het leven gekomen tijdens een testrit met zijn nieuwste CAN-AM
racewagen, een monster met een 7 liter Chevy achterin, dat zonder veel
problemen snelheden tot 320 km per uur haalde. Bruce wilde nog snel even een
paar rondjes draaien voor de geplande middagpauze, in de haast vergat iemand
een sluiting van de carrosserie te controleren… Op de Lavant Straight werd het
aerodynamische bodywork over de motor van de auto
losgerukt. Het plotse verlies aan downforce veranderde de racewagen in
een ongeleid projectiel. Hij ramde een betonnen bunkertje dat nog dateerde
uit de Tweede Wereldoorlog toen Goodwood een RAF vliegveld was.
Enkele
jaren eerder had Bruce een soort tussentijdse biografie gepubliceerd, 'From the
cockpit', vooral om zijn vader in Nieuw-Zeeland, "Pop", een
plezier te doen. Daarin vertelde hij over de toespraak die hij had gegeven op
de uitvaart van zijn vriend Tim Mayer, de jongere broer van Teddy, die na het
overlijden van Bruce het team zou leiden tot het in 1980 werd overgenomen door
het Grote Geld met de vleesgeworden eigenwaan Ron Dennis aan het roer. In zijn
grafrede stelde Bruce dat Tim, nauwelijks 26 toen hij verongelukte, in zijn
korte leven meer had gepresteerd dan de meeste mensen met decennia meer op de
teller. Wat
Bruce deed besluiten dat "life is measured in achievement, not in years
alone". De frase zou zijn eigen
grafschrift worden. Hij werd 33.
Wij
kwamen enthousiast terug van Francorchamps, ook al misten we in Landen de
laatste trein naar Hasselt en moesten we geëvacueerd worden door een
vriendelijke buurman die een auto had. Tijdens de terugreis waren er plannen
gesmeed om twee weken later naar Zandvoort te gaan. Daarbij hadden we geen
rekening gehouden met twee factoren: de altijd penibele toestand van onze
financiën en het absolute veto van onze ouders. Begin juni naar Francorchamps
gaan was één ding, in het midden van de proefwerken naar Zandvoort nog iets
heel anders. Kinderen luisterden nog naar hun ouders, zelfs wat oudere tieners.
Dus
volgden we op 21 juni de Grote Prijs van Nederland op het kleine scherm. Dat in
die tijd nog ècht klein was, en zwart-wit, en miserabel van kwaliteit, zeker
als je vanuit België naar een Nederlandse zender keek. De sinistere zwarte
rookwolk die ergens rond de 20ste ronde opwalmde van boven de duinen aan de
andere kant van het circuit was echter duidelijk zichtbaar. En iedereen wist
wat ze betekende.
 |
| Zandvoort 1970. Jochen leidt voor Jacky Ickx. |
Geen pace
car in die tijd, geen rode vlag. "Lokaal geel", verder dan dat ging
het niet. De race ging onverminderd door alsof er niets aan de hand was. De
commentator van dienst meldde dat er ergens een auto van de baan was geraakt en
in brand gevlogen -zoveel vermoedden we al- maar wist niets meer te melden dan
dat. In die tijd stonden er geen camera's langs het hele parcours en
communicatie tussen het ene deel van het circuit en het andere was nagenoeg
onbestaande. Niemand van de wedstrijdleiding of van de tv-ploeg kwam op het
simpele idee om gewoon te checken welke coureurs er voorbijkwamen aan de
start-finishlijn en welke niet. Er werden nog geen camera's onder de neus van
een kersverse weduwe geduwd; daar was de wereld nog te kies voor.
Sommige
auto's konden we herkennen, zelfs op het belabberde beeld. De March van Jackie
Stewart, de Ferrari's van Jacky Ickx (donkere helm) en Clay Regazzoni (witte
helm), de Lotus van Graham Hill (wiens donkere helm met acht witte verticale
strepen overal herkenbaar was, zelfs op een Loewe Opta uit Jezeke's tijd), de
BRM van Pedro Rodriguez, de winnaar van Francorchamps...
Daar
arriveerde Jo Siffert lopend in de pits. Was het zijn auto die in brand
stond...?

|
Piers Courage, mooie jonge god en oud Etonian. De
zwarte streep op zijn zilveren helm verwijst naar het prestigieuze College.
|
Ik
weet niet meer precies hoe lang het duurde eer we vernamen dat de immer
vriendelijke Piers Courage, erfgenaam van de bierbrouwersfamilie, "levend
verbrand" was in zijn auto, zoals de commentator het nodeloos plastisch
uitdrukte. Wat natuurlijk onzin was. Zelfs als Piers de klap had overleefd, was
hij hoogstwaarschijnlijk gestikt voor het vuur hem bereikte. Maar de kans dat
hij de klap had overleefd was klein. Zijn helm, zilver met de zwarte strepen
van Eton College, lag in het midden van de piste. Het buizenchassis van zijn De
Tomaso was gemaakt van een magnesiumlegering. Het ding brandde als een fakkel
en water kon het niet blussen. De Zandvoortse racemarshalls vonden er niets
beter op dan het brandende wrak onder te spitten met duinzand.
Ik
heb hier nog een gehandtekende foto van Piers, en een paar foto's die ik in de paddock
area van het circuit van Zolder heb gemaakt, ik vermoed in 1969, bij de
Grote Prijs Formule 2. Op één van de foto's staat hij samen met Jochen en Nina
Rindt te ginnegappen, flesje Cola in de hand.
Op 21
juni 1970 won Jochen Rindt de Grote Prijs van Nederland.
Er bestaat een droevige foto van 'm op het
podium, een armetierige lauwerkrans rond zijn hals.
Hij staart wezenloos in de verte; heeft net een van zijn beste vrienden
verloren en zijn tweede race van het seizoen gewonnen...
Hij
won ook de drie volgende races van de kalender, Frankrijk, Groot-Brittannië en
Duitsland. In zijn thuisrace, Oostenrijk, moest hij al na enkele ronden
opgeven.
Toen
kwam Monza.
In de
weken voor de Grand Prix van Italië had Rindt in interviews zijn bezorgdheid
geuit over de veiligheid van zijn fonkelnieuwe Lotus 72. Hij vond de auto te
licht gebouwd en er zaten allerhande gimmicks op die geen zoden aan de dijk
zetten en de auto alleen maar riskanter maakten. Inboard remmen,
bijvoorbeeld, een nieuwigheid in die tijd. Jochen had Lotusbaas Colin Chapman
laten weten dat hij voor de rest van het seizoen niet meer met de 72 wou rijden
en wou teruggrijpen naar het vorige model, de 49.
Chapman
had er geen oren naar en bracht enkel 72's naar Monza, geen 49's. Jochen was
van zijn stuk gebracht maar hij besefte dat dit niet het moment was om te gaan
stechelen met zijn teambaas. Hij kon de wereldtitel ruiken.
Misschien
heeft hij toen gedacht aan de raad die zijn vriend Bernie Ecclestone hem had
gegeven toen Jochen na het seizoen 1968 zijn zitje bij Brabham wou inruilen
voor Lotus. Bernie, die ook in die tijd al zelden een blad voor de mond nam,
had het kort en bondig samengevat: als je wereldkampioen wilt worden, moet je
naar Lotus gaan; als je wilt blijven leven, moet je bij Brabham blijven.
Wat
er ook van zij, Rindt klom in zijn 72 en begon zijn oefenritten. En kon zich
niet hoger opwerken dan ergens in het midden van het deelnemersveld. De auto
had simpelweg geen snelheid. Niemand bij Lotus snapte wat er aan de hand was
maar er lag een simpele, hoewel niet risicoloze, oplossing voor de hand: de
achtervleugel weghalen. De auto zou dan minder downforce hebben, en
bijgevolg minder stabiel zijn, maar zou hogere snelheden kunnen halen. En in
Monza is snelheid primordiaal.
 |
| Monza 1970. De vleugelloze Lotus 72 boort zich onder de vangrail. |
Rindt
vertrok, zonder achtervleugel, voor nieuwe kwalificatierondes en stak op het
rechte stuk voor de Parabolicabocht de McLaren van Denny Hulme voorbij. Die zag
Rindt's Lotus aan meer dan 240 km per uur eerst naar rechts en vervolgens
scherp naar links wegschieten, waar hij zich met volle snelheid in, of beter
onder, de vangrails boorde. De Lotus 72 had een uitgesproken wigvormige neus en
daar waren de vangrails niet op berekend. Tot overmaat van ramp had Rindt de
slechte gewoonte om nooit de kruisgordel van zijn vijfpunts veiligheidsharnas
vast te maken. Hij werd met vele G-krachten in de neus van de auto geperst, die
na een paar gewelddadige pirouettes in een enorme stofwolk tot stilstand kwam.
Rindt's voeten, in een onmogelijke bocht gewrongen, staken uit de afgerukte
neus van de Lotus 72.
Bernie
Ecclestone kreeg op alle punten gelijk. Rindt werd in 1970 wereldkampioen, maar
wel postuum.