Helen Joy Davidman:
Dichter en bekeerlinge
Zoals met veel vrouwen het geval is, werd het leven van Helen
Joy Davidman vorm gegeven door anderen. In Engeland wordt ze
meestal als een gescheiden vrouw van middelbare leeftijd met literaire aspiraties neergezet, of erger nog, de Yoko Ono van de jaren
vijftig. Kijken we maar naar de film Shadowlands (1993), waarin ze
sterft, enkel maar om C.S. Lewis (Anthony Hopkins) de gelegenheid te geven om te rouwen.
Maar ze was heel wat meer dan dat. Als men over Davidman wil
praten, dan moet men het volgens mij hebben over die Davidman
die de Yale Younger Poets Series Award kreeg, voor haar bundel
Letter to a Comrade uit 1938. De jongere Sylvia Plath schreef in haar
dagboek – de twee vrouwen vochten op de een of andere manier
dezelfde strijd – dat ze een moord wilde begaan voor die eer.
Een jaar later werd Davidman samen met Robert Frost, die voordien al in 1924, 1931 en 1937 de Pulitzer Price voor poëzie kreeg,
bekroond met de Russell Loines Memorial Fund die 1.000 $ bedroeg
(huidige waarde 16.393 $).
ROBERT FROST (Uit zijn debuutbundel Mountain Interval (1916)
THE ROAD NOT TAKEN
Two roads diverged in a yellow wood,
And sorry I could not travel both
And be one traveler, long I stood
And looked down one as far as I could
To where it bent in the undergrowth
Then took the other, as just as fair,
And having perhaps the better claim,
Because it was grassy and wanted wear;
Though as for that the passing there
Had worn them really about the same,
And both that morning equally lay
In leaves no step had trodden black.
Oh, I kept the first for another day!
Yet knowing how way leads on to way,
I doubted if I should ever come back.
I shall be telling this with a sigh
Somewhere ages and ages hence:
Two roads diverged in a wood, and I—
I took the one less traveled by,
And that has made all the difference.
Romans
Joy Davidman schreef ook twee romans, Anya (1940) en Weeping
Bay (1950). Kirkus review schreef over Anya: “It is a strange book;
it is as essentially Jewish as Magnolia Street with all its emphasis on
the mores; it is not a book for the conservatives, though it is, oddly
enough, never gloatingly lascivious.”
Over Weeping Bay: “The unctuous Cure of the church does not
wish to see his simple (if starving) flock contaminated by materialism and prefers to keep them poor, while his brother, the Chief of
Police, rapes and ruins a waitress in the town’s hotel. But there are
moments of rebellion all along the line; Herve, a factory worker,
hot-bloodedly fights for his and others’ rights; Mireille, afraid to
have children because they will starve, aborts herself; Marie-Ange
defies the priest and uses birth-control methods... Apparently a plea
for a more flexible Catholicism, this is alive and tense and wellwritten.”
Duister verleden Deel 1.indd 290 9/02/16 16:55
helen joy davidman 291
Haar laatste boek, de dichtbundel Smoke on the Mountain – nog
steeds te koop – is een levendige, provocerende interpretatie van de
Tien Geboden.
Praten met leeuwen
Davidman werd geboren in een familie van Poolse en Oekraïense
Joodse immigranten in 1915. Ze las al toen ze drie was, op haar
achtste las ze H.G. Wells’ Outline of History en verklaarde zichzelf
atheïst. Ze had een fotografisch geheugen en haar I.Q. lag boven de
150.
Haar broer, psychiater Howard Davidman, vertelt met voorliefde
het verhaal over hoe hij en Joy samen naar de zoo in de Bronx gingen om er te praten tegen de dieren. Maar de 14-jarige wilde een
inniger contact met de grote katten. Samen met haar broer deed
ze een inbraak in de zoo, na het vallen van de duisternis, en daar
praatte ze met de leeuwen, die ze naar de tralies lokte en hen uit
haar hand liet eten, om hen vervolgens te strelen, en dat deden ze
niet een keer, maar vele malen.
Daarmee was ze zeker de voorloper van Aslan (wat leeuw betekent in de Turkse talen), een personage uit alle delen van De kronieken van Narnia door C.S. Lewis.
Davidman ging op haar 14de naar het Hunter College en haalde
haar academische titel, om vervolgens aan de Columbia universiteit
haar master in de Engelse literatuur te halen in drie semesters, terwijl ze ondertussen nog les gaf aan de Roosevelt High School.
Haar eerste gedichten verschenen in Poetry, een prestigieus
magazine, waarvan de uitgever haar onmiddellijk inlijfde als lezer,
corrector en uitgeefster, wat ze aanvaardde en waarvoor ze haar
baan als lerares opzegde. Agressief, ongeduldig en onverdraagzaam
Enkele weken voor ze afstudeerde aan het Hunter College had Joy,
midden in de Grote Depressie, een meisje – een weeskind zoals later
bleek, dat vele dagen niet had gegeten – uit wanhoop van het dak
van een building zien springen. Dat bleef haar gedurende jaren achtervolgen en dat dreef haar naar de communistische partij, die ze
als de universele oplossing zag voor wat er fout ging in de wereld. Ze
werd een typische ‘radical’ van de jaren dertig: agressief, ongeduldig en onverdraagzaam.
Haar toetreding tot de partij viel ongeveer samen met de publicatie van Letter to a Comrade. Pulitzer Price winnaar Stephen Vincent Benét schreef er een vooraf voor. Daarin zegt hij: “Hier is wat
een intelligente, gevoelige en levendige geest denkt over zichzelf en
de wereld rondom haar. Het zal iedereen die Letter to a Comrade
leest duidelijk zijn, dat de helden en demonen van de Twenties niet
juffrouw Davidmans helden en demonen zijn. Wat niet zo voor de
hand ligt is het feit – belangrijk voor iedere jonge auteur – dat ze een
behoorlijke techniek heeft en dat ze zich succesvol kan uitdrukken
in de diverse vormen van poëzie. Juffrouw Davidman kan de dingen die ze waarneemt, accuraat en fris weergeven.’
De bundel bevatte enkele gedichten die overeenstemden met
haar politiek engagement zoals Snow in Madrid, waarin ze het heeft
over de Spaanse burgeroorlog, die de links denkende mens van die
dagen na aan het hart lag:
SNOW IN MADRID
Softly, so casual,
Lovely, so light, so light,
The cruel sky lets fall
Something one does not fight.
How tenderly to crown
The brutal year
The clouds send something down
That one need not fear.
Men before perishing
See with unwounded eye
For once a gentle thing
Fall from the sky.
Ze kan commentaar geven, ofwel vurig en vol van verbeelding,
ofwel zoals in Spartacus 1938 beheerst, maar daarom niet minder
emotioneel en krachtig.
SPARTACUS 1938 (verschenen in New Masses)
(Grote delen van Moabit (Berlijn) zijn traditionele arbeiderswijken; delen
daarvan hadden politiek actieve bewoners, zoals de Rote Beusselkiez en de
aangrenzende Rostocker Kiez, en golden na de machtsovername door de
Nationaalsocialisten in 1933 als communistische verzetshaarden.)
Ernest Thälmann was de leider van de Kommunistische Partei Deutschlands
tijdens de Weimarrepubliek.
Thälmann is buried under the peat bog,
under the rain, under the tufted grass.
He is buried under crisscross
tracks of birdfeet
made all day by the moorhens as they pass.
He lies below the feet of prisoners
come all day from the concentration camp;
the lean marsh iris and the angled sedge
set their roots in grey and green water;
Thälmann lies where the shovel’s edge
crisscross cuts peat all day long
and the night smooths it over with water.
But Thälmann is buried under Moabit
lying
living in the heavy stone.
When Romans killed Spartacus the gladiator
they did not put him under earth alone;
along the Roman road they set a cross,
a little way beyond another cross,
so for some miles, and every cross a man;
so the tall gladiators on the Roman road
blackened
until the Roman flocks of crows
turned from the new corn in the spring.
This was done to Spartacus and the moneyless men
in the name of sweet peace,
order and tranquility,
in the name of large lands belonging to one man.
The name of grain brought from Egypt to give the poor,
in the name of the rich man’s house, the name of his sleep
and the fat ancestral spirits of his gods.
This was done in the name of the smoke on altars.
Spartacus being a slave was beaten with rods.
And the slave lives in the ergastulum
and the slave lies chained to the outer door,
and the slave wears away the palms of his hands
working for the Roman state.
Spartacus
lies with his heart buried at the foot of the whipping-post.
(But Thälmann is held in Moabit,
the door is locked, the key is lost, the cause is lost.)
The prisoners from the concentration camp
leave wet footmarks on the rainy moor.
They never had a key to open the door,
and when they leave, they leave by the back door of a bullet,
he coffin sent home with an official seal;
but the prisoner shall set his heel
into firm earth,
but he shall stand firm,
but he shall live by the lean gun
and he shall earn his death like honest bread
and there shall be bread.
And this shall be
in our lifetime, in our bitter lifetime, Thälmann.
The grass shall sleep upon the moor.
Assault the door, break down the door, break open the door.
In de schaduw
Davidman was niet de eerste vrouw wier bekendheid overschaduwd
werd door die van haar man. Alleen gebeurde het haar wel tweemaal. Lang voor C.S. Lewis ten tonele kwam, huwde ze William
Gresham, een veteraan van de Spaanse burgeroorlog die ze ontmoette in 1942 op een vergadering van de communistische partij.
Gresham wordt meestal in het lijstje van de populaire fiction
ondergebracht, wat echter niet strookt met de bekendheid die hij
heden ten dage nog steeds geniet.
Gresham publiceerde in 1946 de bestseller Nightmare Alley
(opgedragen aan Davidman), een groteske noir, spelend in de kermiswereld. Later werd er nog een boeiende film van gemaakt. Een
recensent beschreef het boek als “een harde, meedogenloze, kleurrijke roman, die de onbekende wereld van de freaks beschrijft, met
de bedoeling commentaar te leveren op onze zieke, verrottende
wereld. Het verhaal van een waardeloze spiritist die rijke, lichtgelovige dames bedriegt, en zo uiteindelijk zijn eigen ondergang
bewerkstelligt”.
Een beetje zoals Gresham zelf. De zich als een zuidelijke alcoholist gedragende Gresham kon zijn vuisten niet thuishouden en
zowel zijn vrouw als zijn kinderen waren daar het slachtoffer van;
daarnaast was hij chronisch ontrouw, een figuur regelrecht uit
de pagina’s van O’Neill, Faulkner of Tennessee Williams gestapt.
Meermaals vuurde hij zijn geweer af in het plafond, om zijn spanningen te ontladen, en op een dag sloeg hij een fles kapot op het
hoofd van hun zoon Douglas.
Op een nacht in 1946 werd Davidman opgebeld door Gresham, hij
leek helemaal in de war en vertelde haar dat hij een zenuwinzinking
had. Davidman bracht hun twee zonen naar bed en voor het eerst
in haar leven voelde ze zich hulpeloos en verslagen. “Dat was de
nacht dat God in mij kwam,” zegt ze. “Hij was daar, mijn bewustzijn registreerde hem, hij was zo echt, alles tot dan toe was een schaduwspel geweest. En ik, ik was meer levend dan ooit. Mijn perceptie
van God heeft misschien een halve minuut geduurd.”
Davidsmans bekering vergrootte de kloof met Gresham nog meer. Gresham was een alleseter, hij dweepte met Dianetics, de voorloper van Scientology, met de tarotkaarten en raadpleegde de I Tjing.
Nadat ze gezinshulp had gevraagd aan haar nicht (die een toevluchtsoord zocht omdat haar doorgaans dronken echtgenoot haar
sloeg), ging Joy op pelgrimstocht naar Engeland om advies te zoeken
bij haar mentor en sinds enkele tijd ook penvriend C.S. Lewis. De
Engelse uitstap was een succes; thuis lag het anders, Gresham was
een verhouding begonnen met Davidmans nicht. Gresham wilde
een echtscheiding, Davidman wilde verzoening: “Bill begroette me
door me enkele keren doorheen de kamer te boksen… Twee dagen
nadat hij me bijna gewurgd had, vroeg hij me in alle ernst: ‘Ben ik
ooit brutaal en onvriendelijk geweest’?”
Angst voor het rode gevaar
Davidmans emigratie naar Engeland wordt meestal in verband
gebracht met haar scheiding van Gresham en de vlucht in de armen
van de stabiele Oxford don, C.S. Lewis. Weinigen hebben nagedacht over die andere mogelijkheid en wel de ondervragingen van
The House Un-American Activities Committee, hoorzittingen die
toen in volle gang waren.
Davidman had, samen met anderen, scherpe artikels persklaar
gemaakt voor New Masses (een prominent marxistisch blad) en
was actief geweest in de procommunistische League of American Writers. Ze had ook even, zonder succes trouwens, haar kans
in Hollywood gewaagd als scenarist. Had ze angst dat zij – en
Gresham – zouden worden opgeroepen om te zingen voor senator
Joe McCarthy? Omstreeks de tijd van haar eerste vlucht naar Engeland in 1952 was het Amerikaans congres volop bezig met het dagvaarden van een ander echtpaar dat banden had met Hollywood:
Dashiell Hammett en Lilian Hellman.
Deze bezorgdheid zul je niet in haar brieven vinden en er kon
ook niet openlijk over worden gepraat. Zo was het in die dagen,
de dagen dat het zogenaamde rode gevaar Amerika zogenaamd
bedreigde.
De Engelsen verschilden echter niet veel van McCarthy. Volgens A.N. Wilson die in 1990 C.S. Lewis: A Biography publiceerde, vonden de vrienden van Lewis haar “ruw in de mond, gemelijk en te
assertief” en zette ze door haar pessimistische kijk op de dingen de
domper op de samenkomsten van de Inklings (een informele letterkundige discussiegroep verbonden aan de universiteit van Oxford).
Aantrekkingskracht
Natuurlijk hadden ze nooit een vrouw zoals zij gekend en meegemaakt, maar Davidman werd meteen als het originele en uitgestorven Amerikaanse type geklasseerd: een agressieve, briljante New
Yorkse Joodse intellectueel, die een kleurenfilm was in vergelijking
met de ouderwetse grijsheid van het naoorlogse Engeland. Ze was
even onverteerbaar voor de Britten als de lange, blonde, van het
Smith College afgestudeerde, wat later op het toneel verschijnende
Sylvia Plath, die net als Davidman met bijtende verontwaardiging
werd begroet.
Maar Lewis aanbad Joy. Zijn broer schreef in een brief: “For Jack
the attraction was at first undoubtedly intellectual. Joy was the only
woman whom he had met... who had a brain which matched his
own in suppleness, in width of interest, and in analytical grasp, and
above all in humour and a sense of fun.”
Na Davidmans dood aan kanker in 1960 schreef Lewis midden in een geloofscrisis A Grief Observed, waarin hij God vele vragen stelde, en ook schreef over Davidman: “Zij was mijn dochter
en mijn moeder, mijn leerling en mijn leraar, mijn onderdaan en
mijn meester; en altijd mijn vertrouwde kameraad, vriend, scheepsmaatje, medestrijder… Als wij nooit verliefd waren geworden, zouden we toch altijd samen zijn geweest, en zouden een schandaal
hebben ontketend.”
Op haar graf liet hij de volgende tekst zetten:
Here the whole world (stars, water, air,
And field, and forest, as they were
Reflected in a single mind)
Like cast off clothes was left behind
In ashes, yet with hopes that she,
Re-born from holy poverty,
In lenten lands, hereafter may
Resume them on her Easter Day
Latere gebeurtenissen
Davidman was volgens velen de inspiratie voor wat als het beste
boek van C.S. Lewis wordt beschouwd, Till We Have Faces (1956),
een navertelling van de Griekse mythe rond Cupido en Psyche,
waarin zij de hoofdrol van de sterke en onoverwinnelijke heldin,
Orual, vertolkt.
Ook was zij het, wordt beweerd, die C.S. Lewis inspireerde om
Aslan, de leeuw uit De kronieken van Narnia in zijn verhaal op te
nemen.
Wat haast niemand opmerkte bij het verschijnen van de film The
Chronicles of Narnia: The Lion, the Witch and the Wardrobe in de
zalen, is dat bij het begin als coproducent Douglas Gresham wordt
vermeld. Lewis stierf kinderloos, net zoals zijn broer. Davidmans
jongere zoon, die zijn stiefvader aanbad, werd de toortsdrager van
de erfenis van Lewis, tot zover de enige aanwijzing van de aanwezigheid van Joy Davidman in het leven van C.S. Lewis in de nu
heersende Narnia-mania