BEN ZO TERUG
God is een
klootzak, op een dag zal ik hem doden.
Daniel Auteuil in MR 73 van Olivier Marchal
Het
was helemaal niet zo moeilijk om aan meer slaappillen te komen. Ik sprak even
met mijn ventje die in een farmaceutisch bedrijf werkt en hiervoor de hele
wereld rondreist, zei dat ik steeds moeilijker in slaap kon komen wanneer hij
er niet was en enkele dagen later schoof hij me enkele doosjes toe, vergezeld
van de goede raad dat ik niet moest overdrijven met dat spul.
Hij
wist dat ik loog, dat niet zijn afwezigheid de oorzaak was, maar de dood van
mijn zoon Carlos. Carlos Ruiz de Fuentes die, je kon het in de kranten lezen,
een moordenaar en zelfmoordenaar was, en de zoon van mijn eerste man. Zijn
vader, Rafael, en ik hadden de grootste familiale moeilijkheden moeten
overwinnen om ons huwelijk er door te krijgen. Het liep enkele jaren erg goed
op alle gebied, we hadden de heerlijkste seks en ik probeerde mijn zin te
beteugelen en had af en toe een zeer vluchtig avontuurtje. Toen vertelde iemand
me dat Rafael ook vreemd ging en met wie en dat hij het al enkele jaren met
dezelfde vrouw aanlegde, dat vormde volgens mij een echte bedreiging voor ons
huwelijk, dat kon ik niet over me heen laten gaan en ik ging met de brenger van
de boodschap naar bed en die ging er dan mee opscheppen bij Rafael. Het
eindigde in een echtscheiding en toen Rafael enkele jaren later stierf had
Carlos daar erg veel onder geleden.
Met
zijn stiefvader, mijn huidige man dus, kon hij niet zo goed opschieten en hij
was dan ook al snel op zichzelf gaan wonen. Eerst was hij gaan reizen en nu en
dan ontving ik een ansichtkaart. De eerste kwam uit Frankrijk waar hij als ober
aan het werk was in Argeles, een badplaatsje aan de Middellandse zee,
vervolgens was hij koeherder in Canaveilles in de Pyreneeën waar nauwelijks
vijftig mensen woonden – van daaruit zond hij me ook enkele erg sterke verhalen
over eenzaamheid, dan weer tegelzetter in het Catalaanse Cabrils, in Frankrijk
hielp hij mee aan de oogst van druiven en tomaten, in Griekenland waren het
citroenen en olijven. Toen hij gids werd in het Portugese Fatima brak mijn
klomp, want nooit was hij met enige vorm van godsdienst in aanraking gekomen,
daar had ik wel voor gezorgd. Toen zat hij weer in Griekenland en was
receptionist in een hotel in Athene. Later werd hij nachtportier in Amsterdam
en liep tijdens de dag als sandwichman voor een striptent langs de grachten.
Dan kwamen de berichten weer uit Zwitserland waar hij tuinman, landbouwer,
schoorsteenveger, krantenbezorger en barman was.
Terug
in Antwerpen zag ik al bij zijn eerste bezoek dat hij zijn lichaam niet had
behandeld als een tempel, maar meer als een pretpark. Hij was ondergedoken in
de wereld van de 'has been-' en 'has never been-' artiesten, hij voelde zich
prettig tussen de mislukte schilders die het dan maar als decorschilders
probeerden, de niet gepubliceerde schrijvers en zij die er ooit in slaagden met
hun eerste en enige boek een uitgever verlies te laten lijden, de verlopen
academici, de wereldverbeteraars dicht bij de tapkast die nooit hun stem gingen
uitbrengen want ‘het hielp toch geen zier’, de zuipschuiten, de soapacteurs die
nog niet op straat werden herkend, de striptekenaars die dankzij overvloedige
subsidies een uitgever hadden gevonden hoewel niemand op hen zat te wachten, de
gebruikers van wiet en andere middelen, de leden van de anti-Amerika en anti-Israël
liga. Hij schilderde wat en mijn bezetenheid met seks had zich blijkbaar in hem
voortgezet, want de eerste schildering die ik kocht was een variatie op een
werk van Félicien Rops Le diable au
corps, een paar dat in standje 69 met elkaar bezig was, alleen had Carlos
er twee vrouwen van gemaakt. Ik kocht nog een paar dingen, waaronder zijn visie
op de verzoeking van de heilige Antonius, met een wulpse rondborstige vrouw aan
het kruis die duidelijk door een Amerikaans softpornoblad was geïnspireerd of
door de Vilvoordse schilder en videokunstenaar Ruvanti, van wie ik naast zijn Divina Erotica ook de stripromans De
slaapkamerfilosofen – naar Markies de
Sade - en Alice – zijn visie op Alice in Wonderland - in mijn kleine
verzameling erotische strips heb zitten, daarnaast staat op een ereplaats De schakelaar,
de ultieme striproman van Manara die ik misschien al wel honderd keer heb
gelezen, terwijl ik als een pedofiel geil
op de haarloze kutjes in Jonge
afrodites van Philippe Goddin, een boek over tekenaar Paul Cuvelier – de
schepper van Corentin die niet te
beroerd was - om het eerste naakt in een niet erotisch bedoelde strip aan te
brengen, boeken die Carlos waarschijnlijk stiekem had gelezen toen hij nog
thuis was want ik had ze nooit achter
slot of grendel bewaard.
In
ieder geval hing ik zijn werk ook op. Carlos kon erg opvliegend zijn. Hij wilde
niet dat ik die dingen kocht om hem te helpen, maar omdat ik ze mooi vond.
Wat niet
zo was omdat ik in hem geen groot schilder zag, maar dat vertelde ik hem dus
niet. Toen kwam hij op een dag aanzetten met het feit dat hij stapelverliefd
was op een karakterdanseres, Evelyne. Hij nam me mee naar enkele optredens en ik
moet eerlijk toegeven dat ze erg mooi was en ik ontdekte ook dat ik haar wel
eens in mijn bed wilde hebben.
Op een dag belde Evelyne me op en vroeg of we
eens konden praten. Toen en daar vertelde ze me dat ze eigenlijk niet verliefd
op mijn Carlos was en dat ze er over dacht om hem bij de politie aan te geven
als stalker. Het is toen dat we samen in bed belandden en dat gebeurde nog wel
enkele keren. Op een dag vertelde ik Carlos dat zijn liefde vergeefs was, want
dat zijn beminde het liever met de vrouwtjes deed en dat ze het mij had
verteld. Carlos liep woedend de deur uit en enkele weken hoorde ik niets meer
van hem. En dan op een dag kreeg ik volgende uitnodiging:
“If the food is the best thing at dinner, then something’s
wrong.”
Hiermede bent u uitgenodigd op het verjaarsfeest van
CARLOS RUIZ DE FUENTES
dat zal plaatsgrijpen in de salons GREET DE BOECK, gelegen
aan de Lamorinièrestraat 101 A, Antwerpen, op 22 februari.
Gelieve bijgaande kaart terug te sturen voor 18 februari.
Ik
had voor deze gelegenheid speciaal een jurk laten maken. Bij de couturière had
ik een kunstboek opengelegd op de pagina waarop het schilderij The Beaver Hat van Edward Arthur Walton
stond afgebeeld. Walton was een van de Glasgow Boys die schilderde in de stijl
van James Whistler. De jurk die tot op mijn voeten liep, leek van net voor de
Eerste Wereldoorlog en de hoge taille maakte dat mijn figuur optimaal uitkwam.
De jurk was donkerbruin met een roze kraagje, net zoals de manchetten een roze
biesje hadden meegekregen. Ik droeg mijn duurste halsbont van een vossenpels en
mijn ronde, eveneens donkerbruine hoed had enkele struisvogelveren meegekregen.
Ze
waren er allemaal, de dronkaards, de spuiters, de rokers, de mislukkelingen en
ook mijn man en ik. Wij waren zowat de enigen die een geschenkje mee hadden.
Mijn man was tegen een gesigneerde tekening van Gilbert Shelton aangelopen toen
hij enkele antiquariaten afliep op zoek naar Kladschrift, een boekje van uitgever Walter Soethoudt die hij zelf
had aangeschreven, maar ook deze was niet meer in het bezit van zijn eigen
uitgave.
Carlos
was gek op Fat Freddy en ook op die andere schepping van Shelton, The Fabulous Furry Freak Brothers. De
tekening was met de hand ingekleurd en gesigneerd. De afbeelding was Fat Freddy’s kat, uit
de underground comic The Adventures of
Fat Freddy’s Cat. Boven de kat stond de tekstballon met de tekst:
"Once a month I like to go crazy, whether I need to or not."
Ook
Evelyne was er. De clubdrugs werden overmatig gebruikt en het werd een braspartij.
De dochter van een bekende galeriehouder – die zich al duizendmaal woordelijk
en geldelijk had moeten verontschuldigen voor het gedrag van zijn dochter - gaf
het sein toen ze haar maag begon leeg te maken. Ik denk dat ze in de salons
Greet de Boeck nooit daarvoor en ook niet erna zoveel kots hebben moeten
opdweilen.
Toen
Carlos boven op de tafel tussen het resterende eten ging staan en iedereen
opriep om naar hem te luisteren, kwamen diegenen die nog op hun benen konden
staan, in een cirkel rond hem staan. Daar en toen haalde hij een Amerikaanse
variant van de Luger P8 boven, die werd in de jaren 80 en 90 uit roestvrij staal
gemaakt door de firma Aimco, later Orimar. Deze pistolen werden zowel onder de
naam 'Aimco', 'Mitchell Arms' en 'Orimar' op de markt gebracht. Ik weet dit,
omdat mijn man een verzamelaar is –
sinds de gebeurtenissen op het verjaarsfeest niet meer, want het ging om een
van zijn wapens. Hij richtte het pistool op Evelyne en schoot haar door het
hart met de uitroep:"Jij brak mijn hart, nu heb ik het jouwe
gebroken." Vervolgens stak hij het pistool in zijn mond, tegen zijn
gehemelte aangedrukt en haalde de trekker over.
Ik
had me bij ontvangst van de uitnodiging al afgevraagd wie dat hele zootje zou
betalen en nu wist ik het, wij, mijn man en ik en we waren ook nog een
ingekleurde tekening van Gilbert Shelton rijker. Een beetje cynisch klinken? Je
kunt er gewoon niet blijven bij stilstaan, anders ga je er aan kapot.
Carlos
had een brief nagelaten waarin hij erop aandrong om samen met Evelyne te worden
begraven, maar dat zag haar familie niet zitten en dus hebben we hem onder een
steen gelegd, want hij had bij leven uitdrukkelijk gezegd dat hij niet
gecremeerd wilde worden. Ook had hij de tekst opgeschreven die hij in zijn
steen gegraveerd wilde zien: "Ben zo terug". Hij heeft zijn graf en
het opschrift gekregen en met zijn tekst heb ik ook nog een prijs gewonnen in
een wedstrijd voor bierviltjes.