Morgen, 7 april is het 50 jaar
geleden dat Jim Clark verongelukte op de lamme Hockenheim-ring in Duitsland, in
een Formule 2 race van keskeschiet. Normaal had Jim moeten starten in een
sportwagenrace in Brands Hatch, maar de organisatoren waren financieel niet
over de brug gekomen. Dus trok Jim, een rechtgeaarde Schot uit the kingdom
of Fife, naar Hockenheim. Waar ze kennelijk wél betaalden.
De race werd betwist over twee
reeksen, zoals dat in die tijd gebruikelijk was in de Formule 2. Clark’s Lotus
schoot aan welhaast topsnelheid opeens uit de baan en ramde de bomen die in
Hockenheim overal vlak naast de piste stonden.
Men vermoedt dat een leeglopende
band, of een band die was losgekomen van de velg, het ongeluk veroorzaakte,
maar de oorzaak is bij mijn weten uiteindelijk nooit officieel benoemd.
Jim Clark was zonder discussie een
van de allergrootsten ooit. Hij was toen hij stierf recordhouder met 25
overwinningen in Grands Prix voor het wereldkampioenschap, één meer dan de
legendarische Juan Manuel Fangio. In 1965 won hij de beruchte 500 Mijlen van
Indianapolis, waar hij ook tweemaal tweede eindigde (1963 en 1966) en één keer
moest opgeven toen hij aan de leiding reed (1964).
Hij won ook nog eens 19 F1-races die
niet meetelden voor het WK. In die tijd was dat soort races nog een courant
verschijnsel.
In vergelijking met Michael
Schumacher’s 91 overwinningen lijkt 25 misschien een beetje pover. Maar men
moet de dingen in perspectief bekijken.
In 1967, het laatste volledige jaar
van Clark in de F1, waren er 11 WK-races. In 1962 en 1966 waren er amper 9. In
2012, het laatste seizoen van Schumacher, waren er 20. In de tijd van
Schumacher duurden racecarrières veel langer. Schumacher racete van 1991 tot en
met 2006 en opnieuw van 2010 tot en met 2012, een totaal van 19 seizoenen.
Clark racete slechts 7 volledige
seizoenen, van 1961 tot en met 1967. Carrières waren beduidend korter omdat de
racerij zo godsgruwelijk veel gevaarlijker was. In 1968, het jaar waarin
Jim Clark verongelukte, kwamen nog drie andere F1-coureurs om het leven. Jo
Schlesser in de Grand Prix van Frankrijk, Mike Spence in de trainingen voor
Indianapolis, Ludovico Scarfiotti tijdens een klimkoers in de buurt van
Berchtesgaden.
In 1969 verongelukten de F1-coureurs
Lucien Bianchi (de grootoom van Jules), Paul Hawkins, Moise Solana en Gerhardt
Mitter.
In 1970 kwamen Bruce McLaren, Piers
Courage en Jochen Rindt om het leven. In
1971 Ignazio Giunti, Pedro Rodriguez en Jo Siffert.
In de rest van de jaren 70: Joakim
“Jobo” Bonnier, Roger Williamson, François Cevert, Peter Revson, Silvio Moser,
Helmut Koinigg, Mark Donohue, Tom Pryce, Ronnie Peterson…
Het kan zijn dat ik er een paar
vergeten ben.
Dat hakt er in, natuurlijk. In de
jaren 60 waren er maar weinig coureurs die 90 starts in de F1 haalden,
laat staan dat ze 90 overwinningen konden boeken.
Toen Jules Bianchi in 2015
verongelukte in Japan, was het geleden van 1994 dat er nog een dode was
gevallen in de F1 (Roland Ratzenberger en Ayrton Senna in Imola). Een
comfortabele 21 jaar. De kans is zeer reëel dat er in die tijd meer doden zijn
gevallen in de wielrennerij of het boksen. Absolute cijfers zeggen dus niet
veel. Wat veel meer zegt, zijn percentages.
Jim Clark behaalde 25 overwinningen
op 72 gestarte wedstrijden. Dat komt overeen met een winstpercentage van 35%.
Schumacher’s 91 overwinningen werden gehaald op 306 gestarte wedstrijden. Dat
komt overeen met 30%. Heel flink, daar niet van, maar wel 5% minder, en dat in
een tijd waarin de auto’s veel betrouwbaarder waren geworden, en de
concurrentie veel zwakker (want alsmaar meer pay drivers…), dan in de
jaren 60 het geval was.
(De absolute recordhouder is trouwens
Juan Manuel Fangio, die zijn 24 overwinningen boekte op 51 starts. 49%. Een
indrukwekkende tweede is Alberto Ascari: 13 overwinningen op 32 gestarte
wedstrijden. 40%.)
Jim Clark was met grote voorsprong
mijn favoriet. Ik heb ‘m (slechts) twee keer zien racen, beide keren in 1967.
In het voorjaar in de Grote Prijs van Limburg voor Formule 2 wagens op het
circuit van mijn geboortedorp Zolder. En vlak voor de zomerexamens in
Francorchamps, in de Grand Prix van België. In Zolder won hij één van de twee
reeksen maar moest het in aggregaat afleggen tegen John Surtees of Jean-Pierre
Beltoise, dat weet ik niet meer.
In Francorchamps leidde hij de race
in de eerste ronden maar de nieuwe Lotus 49 had nog kuren. Hij eindigde derde,
denk ik.
We zaten daar op de tribune tegenover
start en finish, waar niet echt veel te beleven valt. Maar in Zolder, “ons” circuit,
wisten we maar al te goed waar we moesten wezen om de stuurkunstenaars optimaal
aan het werk te zien.
Eén van die plekken was de
bochtencombinatie voorbij de Sacramentshelling, de bochten die in 1982 Gilles
Villeneuve fataal zouden worden. Daar konden zelfs snotapen van 14 jaar het
verschil zien! Bij Clark ging het allemaal zo… moeiteloos! Zo vloeiend,
zo precies helemaal vanzelf!
Echt veel verstand van de mechanische
kant van de zaak had Jim Clark niet, zegt men. Maar hij kon beter dan wie ook
“om de problemen heenrijden”. Clark paste zijn rijstijl aan aan de auto,
eventueel aan de defecten. Hij heeft races gewonnen in auto’s met overslaande
cylinders, of zonder koppeling, of met een versnellingsbak die vastzat in de
hoogste versnelling… Clark was smooth als geen ander en dat kon je echt
zien, omdat je ook de anderen aan het werk zag op dezelfde plek en kon
vergelijken.
Voor een goed begrip: we stonden daar
op een meter of drie, vier, zeker niet meer, van de rand van de piste, achter
een afsluiting van kippendraad waar je overheen kon kijken. Dat was het.
Veiligheid, mon oeil! Niemand zat er over te zagen, de redenering zijnde,
als iemand er überhaupt al bij stilstond, dat niemand je verplichtte om daar te
gaan staan. Hier en daar waren er vangrails, maar zelden of nooit aan de
binnenkant van de bochten. En de binnenkant van de bochten waren het meest
interessant, want racewagens gaan in een bocht altijd naar de binnenkant…
Het was nog de tijd vóór de
integraalhelmen en de brandvrije balaclavas. Coureurs droegen open helmen;
sommigen, niet allemaal, knoopten een Nomex zakdoek voor hun mond en neus. Ik
zie de uiteinden van Clark’s zakdoek nog wapperen in de luchtstroom… Hij hield
zijn hoofd in de bochten een beetje scheef, mee in de richting van de bocht. Je
kon zijn handen aan het stuurwiel bezig zien als hij stuurcorrecties uitvoerde…
Dan flitsten die handen op een fractie van een seconde een paar centimeter, of
minder, heen en terug… Zo magnifiek mooi! Als we zoiets zagen, keken we mekaar
aan met een reusachtige grijns op onze kleine smoelwerken en schreeuwden vaak
van enthousiasme en opwinding…
Ach, ach… Waar is der oud’ren
fierheid nu gevaren…