Op 22 januari was het zestig jaar
geleden dat op de Guildford ringweg John Michael “Mike” Hawthorn om het leven
kwam in een dwaas verkeersongeval. Hij was op dat moment de regerende
wereldkampioen Formule 1, de eerste Britse wereldkampioen.
In de steriele, om niet te zeggen
gecastreerde, 21ste eeuw moet het verhaal van Mike Hawthorn wel
ongelooflijk klinken. Opgroeiend onder het naoorlogse Britse soberheidsbeleid
– Mike was geboren in 1929, te jong om als Spitfirepiloot te dienen in de Battle
of Britain, wat hij anders zeker zou gedaan hebben- gingen Mike en zijn vader
Leslie, een garagehouder uit Farnham, op een gegeven moment autoracen.
Aanvankelijk was dat met een paar oude clunkers uit Leslie’s garage maar
toen al snel bleek dat Mike aanleg had, begon Leslie op iets groters te
broeden. De tijden waren somber en heel, heel moeilijk en als er ergens een
kleine kans was om het leven wat beter te maken, werd die kans al snel genomen.
Samen met een drinkebroer van ‘m,
een man die fortuin had gemaakt met de in die tijd nog zeer winstgevende
smokkelhandel met het continent, kocht Leslie een Formule 2 Cooper-Bristol. Het
ding kostte 1800 pond, in hedendaags geld ongeveer 40.700 euro. Geen klein
bedrag maar anderzijds heb je heden ten dage voor die prijs geen auto waarmee
je kan deelnemen aan Formule 1 wedstrijden…
Dat kon Mike met de Cooper-Bristol
wèl en hij deed het ook. In zijn eerste WK grand prix, de Grote Prijs van
België van 1952, eindigde hij vierde. In de tweede race die hij uitreed, de
grand prix van zijn vaderland, werd hij derde. In Nederland was hij opnieuw
vierde. Hij eindigde vijfde in de eindstand van het WK en werd prompt
geëngageerd door Ferrari voor het seizoen 1953.
A legend was born.
In 1953 won hij zijn eerste WK
grand prix op het Franse stratencircuit van Reims, na een racelang duel op het
scherp van de snee met niemand minder dan Juan Manuel Fangio, die hij met een
wagenlengte klopte op de meet. De wedstrijd kreeg toen de bijnaam “de Race van
de Eeuw”.
Mike was een staaf dynamiet op en
naast de piste. Als hij zijn dag had, was hij een harde, genadeloze racer maar
altijd fair. Hij werd “the Farnham Flyer” genoemd. De Fransen noemden hem
“Papillon” omdat hij altijd racete met een keurig blauw vlinderdasje met witte
bolletjes… Hawthorn was altijd van ver te herkennen met zijn witte broek en
hemd, vlinderdasje, British green jack en zwarte helm met witte klep.
Omdat hij lang was van postuur, zat hij altijd een beetje voorover gebogen in
de cockpit, wat hem een schijn van dringendheid gaf…
Mogelijk was dat meer dan enkel
maar schijn. Mike had een ongeneeslijke nierziekte. Hij wist dat hij niet oud
zou worden, dus genoot hij van het leven zoveel hij kon. Zijn overwinning in de
Franse grand prix van 1953 vierde hij in de armen van een lokale deerne van
Café Brigitte. Zo werd hij vader van Arnaud Michael Delaunay. Mike was een lady’s
man, zoveel was duidelijk, en om te trouwen had hij “geen tijd”, maar een
deel van zijn prijzengeld ging steevast naar de moeder van de kleine Arnaud
Michael.

In 1955 nam hij voor het
Jaguarteam deel aan de 24 Uren van Le Mans. De grote tegenstanders van de
Jaguars waren de Mercedessen van het team dat geleid werd door Alfred Neubauer.
De oorlog lag nog maar pas achter de rug en de Fransen waren nog niet vergeten
dat er een paar kilometer voorbij de bocht van Mulsanne een interneringskamp
was geweest… Ze supporterden allemaal voor Jaguar. Mike van zijn kant, die
sinds de oorlog ook niet bepaald dol was op Duitsers en/of Duitse auto’s,
vertelde aan wie het horen wilde dat er geen enkele reden was waarom “a
Kraut car would be better than a British car”. Het was een beetje alsof de
Tweede Wereldoorlog nog eens dunnetjes werd overgedaan op een racebaan.
Fangio, in een Mercedes, en
Hawthorn gingen er tegenaan alsof het geen 24-uursrace betrof maar een
sprintrace. Het ging er opnieuw aan toe zoals in Reims 1953. In de eerste
tweeëneenhalf uur van de race werd het ronderecord keer op keer gebroken. Twee
van de beste coureurs ter wereld gingen er voor de volle 100%, en mogelijk
zelfs wat meer, tegenaan.
Misschien was Hawthorn, die
sowieso nooit in optimale fysieke conditie was, vermoeid toen hij besloot naar
de pits te gaan om te bevoorraden en het stuur aan zijn ploegmaat Ivor Bueb af
te staan. Misschien wou hij alleen maar de Kraut cars van Fangio en
Fransman Pierre Levegh, die hem op de voet volgden, zo lang mogelijk achter
zich houden. Feit is dat hij een tragische inschattingsfout maakte. Hij sneed
zijn landgenoot Lance Macklin de pas af en ging boven op zijn remmen staan om
de pits in te duiken. Maar de schijfremmen van de Jaguar waren veel sterker dan
de remmen in de Healey van Macklin. Macklin had de keus tussen de Jaguar in
zijn gat rijden of uitwijken. Hij week uit en leek even de controle over de
Healey te verliezen waardoor hij in het pad van Pierre Levegh terecht kwam.

Wat volgde was de ergste crash die
zich ooit in de autoracerij heeft voorgedaan. De Mercedes van Levegh werd
uiteengereten tegen de betonnen muur van een tunnel en de wrakstukken gingen
als zeisen door het dicht opeengepakte publiek.
Er is nog steeds geen officieel
dodental van “de Ramp van Le Mans”. Cijfers schommelen tussen de 80 en de 120
en de betreffende politiedossiers blijven gesloten.
Hawthorn, die het ongeval meer had
voelen dan zien gebeuren, stopte aan de pits, stapte uit zijn
auto en verdween. Nogal wat ooggetuigen (Levegh’s ploegmaat John Fitch, Donald
Healey, de eigenaar van Macklin’s auto, F1 teameigenaar Rob Walker…)
verklaarden later dat Hawthorn op dat moment alle schuld van het ongeval op
zich nam. Maar later werd hij onder handen genomen door de Jaguar teambaas,
Lofty England, en zondagnamiddag om vier uur vierden Hawthorn en Bueb hun zege
met champagne. Men kan zich voorstellen wat dat gaf in de kranten. Mercedes had
het spel slimmer gespeeld. Die hadden hun auto’s teruggetrokken uit de race en
waren ’s nachts met de noorderzon verdwenen.
Autoracen werd tijdelijk verboden
in Frankrijk en voorgoed in Zwitserland maar een week na Le Mans ging op het
circuit van Zandvoort gewoon de Grote Prijs van Nederland door alsof er niets
gebeurd was. Het leven zat nog een beetje anders in mekaar in die tijd.
Het WK Formule 1 van 1958 werd
betwist tussen Stirling Moss en Tony Brooks, beide in een Vanwall, en Mike
Hawthorn in een Ferrari. Moss en Brooks wonnen elk drie races (op een totaal
van elf) en Hawthorn één. Maar zijn regelmaat en snelheid (in 1958 ging er in
elke race een punt naar wie de snelste ronde had gereden; de racewinnaar kreeg
8 punten) bezorgden Hawthorn de titel.
Meteen kondigde hij zijn pensioen
aan. 1958 was, eens te meer, een jaar met hoge kosten geweest. In Reims was
Hawthorn’s ploegmaat Luigi Musso verongelukt, in Casablanca Vanwall-rijder
Stuart Lewis-Evans. Maar wat Mike het ergste had geraakt was het dodelijk
ongeval van zijn boezemvriend, zijn “mon ami mate”, Peter Collins, op de
Nürburgring.
Op het einde van het jaar werd hij
gevierd in de British Racing Drivers Club in Londen en kreeg daar een (gevuld…)
barmeubel ten geschenke. Hij nodigde al zijn collegae uit om het samen met hem
te komen ledigen…
Op die koude, regenachtige 22ste
januari van 1959, op weg naar Londen, zag Mike opeens voor zich op de weg een
auto opdoemen die hij kende. Het was de Mercedes Gullwing van zijn vriend Rob
Walker.
Waarom zou een Kraut car sneller
moet gaan dan Mike’s Jaguar…? Mike gaf een dot gas. In een flauwe bocht op de
ringweg van Guildford ging de Jaguar zonder te remmen rechtdoor. Men neemt aan
dat Mike, die door de dokters op dat moment hooguit nog een jaar of twee werd
gegeven, een blackout heeft gekregen.