In 1964 duurde de Indy 500 nog een maand. Het begon met twee weken proefritten, dan een eerste kwalificatieweekend, opnieuw een week proefrijden, het tweede kwalificatieweekend (met Bump Day...) en een laatste week voorbereiding op de lange race zelf. Over elk zinsdeel in de voorgaande zin kan een verhandeling geschreven worden en ik moet me inhouden om dat niet te doen, want dit stukje gaat over iets anders.
In de pits in 1964 liep een lange, magere, wat slungelachtige jonge Brit rond. Iedereen dacht dat hij deel uitmaakte van het Britse contingent rond Lotus, Colin Chapman en Jim Clark. Niets was minder waar. Donald Davidson, 21 toen en geboren in Salisbury, was voor de allereerste keer de plas overgestoken om aanwezig te zijn bij de race die hem obsedeerde. Zijn vader volgde de Indy 500 een beetje -wat in die tijden ver van simpel was, hier in het Avondland- en in een poging om indruk te maken op zijn pa, begon de kleine Donald de race te bestuderen op alle mogelijke manieren. Tegen 1960 was hij, zoals hij het zelf noemde, headlong into the Indy 500 en hij begon te sparen voor een trip naar de Speedway. In 1964 was het zo ver, hij had eindelijk genoeg opzijgelegd om een paar weken naar Indianapolis te kunnen gaan.
De garagezone, Gasoline Alley, was nog niet het hermetisch gesloten heiligdom dat het vandaag is, en Donald slaagde erin met heel wat rijders een praatje te slaan. Het viel meteen op dat er iets speciaal was aan de spichtige jongeman. Hij wist meer over de carrière van de racers dan zij zelf; hij had een encyclopedische parate kennis van de race en alles wat er mee te maken had. Vele jaren later omschreef Mario Andretti zijn goede vriend Donald als volgt: "Als ik 'm vraag op welke plaats ik reed in de 32ste ronde van de Indy 500 van 71, of wat de temperatuur was om tien uur 's morgens op race day in 1984, of wie de 500 Festival Queen was in 1959, dan geeft hij me het correcte antwoord zonder zelfs maar met zijn ogen te knipperen".
Op de Indianapolis Motor Speedway van 1964 duurde het niet lang of de rare Brit werd een wandelende attractie, antwoordend op vragen van iedereen die 'm een vraag wou stellen, en het leek erop alsof iedereen dat ook wou. Des te meer vragen er gesteld en beantwoord werden, des te groter werd de verwondering, om niet te zeggen verbijstering. Elk antwoord dat Davidson gaf, bleek correct te zijn. Voor hij het wist, zat hij naast de legendarische Sid Collins die de commentaar leverde voor IMS Radio Network.
1964 was natuurlijk het jaar van Black Noon, het inferno dat het leven kostte aan Eddie Sachs en Dave MacDonald. Davidson zag het ongeval in Turn 4 gebeuren vanuit de pit. Opeens werd hij langs achter aangeschoten door A.J. Foyt. "Kijk", brulde Foyt, "zelfs de godverdomde boom staat in brand!"
Black Noon betekende inderdaad ook
het einde voor de grote plataan die aan de binnenkant van Turn 4
groeide. Op bovenstaande foto, waarschijnlijk genomen minder dan een seconde
vóór de grote explosie, is de boom nog intact.
![]() |
Davidson en de winnende Lotus, de 82 van Jim Clark |
Na
de herstart reed Foyt naar de overwinning en Davidson kwam in 1965 terug naar
Indianapolis om er de rest van zijn leven te blijven. Hij werd de officiële
statisticus en geschiedkundige van de Indianapolis Motor Speedway Foundation en
een ambassadeur voor Indycar racing zoals de sport er nooit meer een zal
hebben.
Op
31 december gaat Donald Davidson met pensioen. Het is minder ingrijpend dan
echt sterven, maar een beetje sterven is het niettemin.



Geen opmerkingen:
Een reactie posten