FLUITEND
DOOR HET LEVEN
Walter A.P.
Soethoudt
“Ik weet
een goed adresje om te eten,” zei een mees, van wie ik de naam al vergeten ben,
toen we samen in een boom in het park zaten en beurtelings een liedje hadden
gefloten.
Ik vind
mezen over het algemeen ietwat opdringerig, kijk maar naar de familie
Pimpelmees, die met haar kleine gedrongen lichaam een hoge gele borst opzet. Ik
kan het wel vinden met de familie van de Grijze Mezen, die wonen in Amerika,
maar ik ontmoette er hier een in Antwerpen die ontsnapt was uit de Zoo, jammer
genoeg sprak ze een soort Engels dat ik nooit heb geleerd. Hij had helemaal
geen kapsones en was zelfs een beetje jaloers – dat zei hij toch – op mijn
gitzwarte vederdos en mijn oranje snavel.
Oh, ja, ik
ben helemaal vergeten om me voor te stellen. Mijn voornaam is Kerel, mijn
achternaam is de Merel (met kleine d). Ik weeg ongeveer honderd gram. Ik behoor
tot het geslacht van de Lijsters, waarbij de families Roodborst lijsters en
Zanglijster verre familie zijn en het meest opvallend, maar ze zijn allemaal
kleiner dan ik.
Ik scharrel
mijn kostje bij elkaar al wippend op de grond, op zoek naar wormen, insecten,
gevallen bessen, brood, soms afval en nu en dan vogelvoer. In de herfst loop ik
wippend rond en gooi de dode bladeren op, op zoek naar alles wat eetbaar is.
Maar dat begint wat schaars te worden en ik ben nu op weg naar, dat adresje dat
de mees me gaf. Het ligt aan de achterkant van een laag flatgebouw en op de
richel staan enkele bloempotten, in een ervan is een halve appel vastgeprikt.
In de hoek van het raamkozijn hangt een zaadballetje waar mezen zich te goed
aan doen, en de rommel die ze maken wordt lustig opgepikt door de mussen die
ook al de weg hierheen hebben gevonden.
Tot zover,
alles goed. Ik doe me al een hele week tegoed aan appels. Maar wees nu eens
eerlijk met jezelf, alle dagen hetzelfde? Insecten zijn er nog nauwelijks,
bessen zijn er ook al niet meer en het wordt kouder, dus gooien mensen hun
broodoverschot liever in de vuilbak dan het aan de eendjes in het park te
voeren (en aan ons merels dus).
Gisteren
kwam er een grote groep vogels overvliegen, de lucht zag er zwart van. Ik
mengde me onder hen, misschien waren ze ook wel appelmoe. Ik probeerde een
gesprek aan te knopen, want ten slotte waren het allemaal lijsters, verre
familie dus, en voor zover ik het begrepen heb, kwamen ze allemaal van
Scandinavië en waren ze op weg naar Spanje. Vervolgens zouden ze dan de
Middellandse Zee oversteken langs de Straat van Gibraltar, daar even rusten in
Marokko en dan de Sahara over.
“Nou moe,”
zei ik tegen mijn gesprekpartner, “liever jullie dan ik.”
“Ja,”
antwoordde hij of zij, “wij noemen jullie bij ons dan ook de familie
Schijtlijster, omdat jullie die tocht niet aankunnen of aandurven.”
Ik kon hem
niet aan het verstand brengen dat het bij ons niet echt zo koud werd als in
bijvoorbeeld Noorwegen, of Finland en hoe die andere landen ook mogen heten. Ik
deed verder dan ook geen moeite en keerde terug naar mijn park en de appels. Ik
heb me ondertussen ook een vrouwtje uitgezocht, ze zei dat ze weduwe was, ze is
natuurlijk niet zo knap als ik, maar het kan er wel mee door. We zijn
ondertussen getrouwd en zij heet nu officieel Karin de Merel (met kleine d) en
ze eet mee van de appels.
Antwerpen 9
november 2017


jawél, maar ondertussen is er een tweede Kerel opgedoken die wedijvert om Karin de Merel. We gaan nog spannende tijden tegemoet. Kunnen enkel zorgen dat er genoeg appels in voorraad zijn. het konijn van balkon schuin/lager krijgt nu ook terug bezoek van de familie "de Merel", Nijn Konijn aanschouwht het rumoer met knagend geduld...
BeantwoordenVerwijderen