Sommige
mannen of vrouwen worden hun hele leven achtervolgd door de herinnering
aan hun eerste liefde, die soms idyllisch, soms triest is afgelopen. In het
geval van Daphne du Maurier gaan de herinneringen niet over mensen maar over
een huis dat ze nooit het hare heeft kunnen noemen.
Ze
had nog niet lang haar twintigste verjaardag gevierd toen haar ouders het oude
veerhuis in Bodinnick (Cornwall) kochten. Aan de overkant van het water lag de
kleine haven Fowey.
Na
behoedzame korte wandelingen in de nabije omgeving werd haar radius steeds
groter. Het duurde achttien maanden vooraleer Daphne op onderzoek durfde te
gaan naar het huis dat boven de bossen achter Fowey uitstak. Ze kwam er niet
onbeslagen, want ze had al heel wat informatie over het huis verzameld. Ze wist
dat het huis Menabilly was gedoopt, dat het stamde uit de zestiende eeuw en dat
in het bezit was van een oude Cornische familie, de Rashleighs, waarvan de
nazaat en huidige bezitter, een oude dokter was, die alleen maar een
herinnering had aan de ongelukkige jeugd die hij er had gesleten en daarom
Menabilly nauwelijks bezocht.
Gesteund
door haar zus Angela zocht ze naar de overgroeide ingang, maar faalde. Echter,
niet getreurd, en bij een tweede poging lukte het wel. Angela typeerde het huis
als een hoopje oude stenen, maar Daphne zag alleen maar hoe mooi het huis kon
zijn met wat tender loving care. Door de besmeurde ramen zagen ze stoffige
meubels en een hobbelpaard dat erop zou kunnen wijzen dat hier ooit een kind
gelukkig geweest was.
De
liefdesvlam sloeg direct over bij Daphne; Menabilly werd haar droomhuis en het
moest het hare worden. Bijna drie jaar lang verkende ze iedere centimeter van
het huis, haar liefde groeide bij iedere nieuwe speurtocht, en dan kwam het
moment dat ze gewoon mocht doen wat ze voorheen illegaal had gedaan.
Daphnes
romantische ziel begon harder te kloppen toen ze vernam dat Menabilly ook zijn
eigen geest had, de blue lady, die
gestorven was omdat een galante heer haar pijn had gedaan. Het geraamte
van een jonge soldaat dat teruggevonden werd in een geheime kamer maakte alles
nog raadselachtiger.
Menabilly
was niet altijd in handen van de Rashleighs geweest, er kleefde bloed aan de
muren uit de periode dat het huis geregeld van eigenaar veranderde tijdens de
Burgeroorlog, die met enkele pauzes liep van 1642 tot 1651.
In
1931 verscheen Daphnes eerste roman The Loving Spirit die gebaseerd was op ware
gebeurtenissen. Toen een majoor verzocht om haar te mogen spreken over haar debuutroman
werd Daphne van de sokken geblazen bij de verschijning van een militair met de
dure naam Frederick Arthur Montague Browning, beter bekend als ‘Tommy’ of ‘Boy’.
Deze bijnamen waren het bewijs dat hij niet alleen erg getapt was bij zijn
soldaten, maar eveneens bij de burgers. Ze verloofden zich. Tijdens hun
verloving schreef Daphne nog twee boeken die respectievelijk gepubliceerd
werden als I'll Never Be Young Again
(1932) en Julius (1933). Toen
Browning haar in 1933 ten huwelijk vroeg moest ze niet lang nadenken. Enkele
maanden na hun trouwdag werd Browning verplaatst naar een garnizoen in Egypte
en Daphne volgde hem. Hiermee was haar eerste opdracht geslaagd; het vinden van
een man, bovendien een man die een zeker aanzien genoot. Maar
het
 |
| Christian, Daphne, Tommy, Tessa, Flavia |
had ook zijn nadelen: diezelfde man verlangde naar kinderen en de geboortevan dochter Tessa (1933) was een feit. Dat het een meisje was betekende een
teleurstelling, want de kinderkamer die was voorbereid was helemaal blauw,
omdat Daphne ervan overtuigd was dat ze een jongen zou baren. Daphne was echter
niet écht een moeder en ze liet veel over aan een kindermeisje, want Daphne
wilde schrijven en wanneer ze dat deed was ze helemaal niet aanspreekbaar.
Tessa verklaarde ooit dat ze zich niet één knuffel van haar moeder kon
herinneren.
Inderdaad
had Daphne het te druk met het scheppen van Jamaica
Inn dat
verscheen in 1936. 1936 was het jaar waarin een tweede dochter werd geboren,
Flavia. Tot grote teleurstelling van haar ouders bleek het dus weer een meisje.
Flavia schrijft in haar A Daughter’s Memoirs (1994): ‘Rebecca
and I were conceived about the same time in 1936, but whereas the novel was
very much planned and thought out, I was unquestionably a mistake.’ Inderdaad,
Rebecca verscheen in 1938. Het
echtpaar zou tot 1940 moeten wachten om Christian – bijgenaamd Kits – te
begroeten. De twee dochters zagen soms met lede ogen aan dat Daphne ook
moederlijke gevoelens koesterde, maar die beperkten zich echter tot de lang
verwachte zoon.

Hoewel
Jamaica Inn en Rebecca niet geschreven waren in Cornwall, spookte de
sfeer van Cornwall en Menabilly op iedere pagina. Het Manderley van Rebecca is echter niet het Menabilly van haar dromen, maar is
meer gebaseerd op het huis waarin ze opgroeide, terwijl het toch alle kenmerken
van Menabilly vertoont: de bloedrode rododendrons, de toren en de knik in de
oprijlaan.
In
1941 schreef Angela een brief aan Daphne, die ergens in een garnizoensplaats
leefde terwijl haar man deelnam aan de Tweede Wereldoorlog. De brief vermeldde
dat er een meubelverkoop plaats had op Menabilly en vroeg of ze geïnteresseerd
was. Daphne, die in een gemeubileerd huis woonde met haar drie kinderen, sloeg
het aanbod af al was het met pijn in het hart. Het moest Menabilly zijn met
alles erop en eraan. Ze was niet opgehouden met opzoekingen naar Menabilly te doen
en ontdekte tot haar grote verbazing dat de huidige bewoner Rashleigh aan handen
en voeten gebonden was: Menabilly was onvervreemdbaar erfgoed.
In
1943 waren Daphne en de kinderen in Fowey en daar zag ze hoe Menabilly langzaam
totaal verkommerde. Het vereiste nogal wat spraakwater om de Rashleighs te
overtuigen om haar dan minstens het huis te verhuren. Dat lukte.
Ze
engageerde een troep metselaars, timmerlieden en aanverwante vaklui, naast
elektriciens en een leger schoonmaaksters. Tegen de tijd dat Tommy met kerstverlof
van de oorlog kwam, was het huis een blinkende parel en daarbij volledig
gemeubileerd.
Soms
vroeg Daphne zich wel eens af of haar passionele liefde voor het huis de liefde
voor haar man en kinderen in de weg stond, maar ze wuifde deze gedachte zo snel
mogelijk weer weg.
Ook was er de steeds
knagende vrees dat het huis nooit het hare zou worden en dat er in een nabije
toekomst een Rashleigh zou opdagen om het huis op te eisen. Daphne en Menabilly
waren één geworden, het huis kende haar geheimen en zijn kende de geheimen van
het huis. Toen ze verplicht werd haar intrek te nemen in Kilmarth, het huisje
dat bestemd was voor de weduwen Rashleigh, begreep ze dat niets en niemand haar
nog kon helpen, niet haar enorme fortuin, niet de wet, niet haar man – die zich
sinds zijn thuiskomst van de oorlog steeds vreemder ging gedragen en erg
verveeld zat met de enorme opbrengsten van haar boeken – hoewel hij vrienden en
kennissen had tot in de nabijheid van de koningin. Wanneer Tommy Browning
sterft in 1965 heeft hij net het huurcontract voor Kilmarth verlengd. Op
Kilmarth schreef ze het ene boek na het andere. Het meest succesvolle The King’s General (1946) speelt tijdens
de Burgeroorlog en heeft ook een rol voor Menabilly en zijn bewoners. Menabilly
bleef haar droomhuis. De verzoening tussen haar en de Rashleighs werd een feit
en ze mocht wekelijks op de koffie komen. Als ze echter weer eens verdwenen
was, dan kon je haar terugvinden in de tuinen van Menabilly. Zo lang ze leefde
was er geen vergiffenis in haar hart voor de Rashleighs die haar, althans
volgens haar, de toegang tot het paradijs hadden ontzegd.