Bedenkingen, mijmeringen, oprispingen.

woensdag 11 december 2019

DE LIEFDE VOOR EEN HUIS



Sommige mannen of vrouwen worden hun hele leven achtervolgd door de herinnering aan hun eerste liefde, die soms idyllisch, soms triest is afgelopen. In het geval van Daphne du Maurier gaan de herinneringen niet over mensen maar over een huis dat ze nooit het hare heeft kunnen noemen.

Ze had nog niet lang haar twintigste verjaardag gevierd toen haar ouders het oude veerhuis in Bodinnick (Cornwall) kochten. Aan de overkant van het water lag de kleine haven Fowey.

Na behoedzame korte wandelingen in de nabije omgeving werd haar radius steeds groter. Het duurde achttien maanden vooraleer Daphne op onderzoek durfde te gaan naar het huis dat boven de bossen achter Fowey uitstak. Ze kwam er niet onbeslagen, want ze had al heel wat informatie over het huis verzameld. Ze wist dat het huis Menabilly was gedoopt, dat het stamde uit de zestiende eeuw en dat in het bezit was van een oude Cornische familie, de Rashleighs, waarvan de nazaat en huidige bezitter, een oude dokter was, die alleen maar een herinnering had aan de ongelukkige jeugd die hij er had gesleten en daarom Menabilly nauwelijks bezocht.

Gesteund door haar zus Angela zocht ze naar de overgroeide ingang, maar faalde. Echter, niet getreurd, en bij een tweede poging lukte het wel. Angela typeerde het huis als een hoopje oude stenen, maar Daphne zag alleen maar hoe mooi het huis kon zijn met wat tender loving care. Door de besmeurde ramen zagen ze stoffige meubels en een hobbelpaard dat erop zou kunnen wijzen dat hier ooit een kind gelukkig geweest was.

De liefdesvlam sloeg direct over bij Daphne; Menabilly werd haar droomhuis en het moest het hare worden. Bijna drie jaar lang verkende ze iedere centimeter van het huis, haar liefde groeide bij iedere nieuwe speurtocht, en dan kwam het moment dat ze gewoon mocht doen wat ze voorheen illegaal had gedaan.

Daphnes romantische ziel begon harder te kloppen toen ze vernam dat Menabilly ook zijn eigen geest had, de blue lady, die  gestorven was omdat een galante heer haar pijn had gedaan. Het geraamte van een jonge soldaat dat teruggevonden werd in een geheime kamer maakte alles nog raadselachtiger.

Menabilly was niet altijd in handen van de Rashleighs geweest, er kleefde bloed aan de muren uit de periode dat het huis geregeld van eigenaar veranderde tijdens de Burgeroorlog, die met enkele pauzes liep van 1642 tot 1651.

In 1931 verscheen Daphnes eerste roman The Loving Spirit die gebaseerd was op ware gebeurtenissen. Toen een majoor verzocht om haar te mogen spreken over haar debuutroman werd Daphne van de sokken geblazen bij de verschijning van een militair met de dure naam Frederick Arthur Montague Browning, beter bekend als ‘Tommy’ of ‘Boy’. Deze bijnamen waren het bewijs dat hij niet alleen erg getapt was bij zijn soldaten, maar eveneens bij de burgers. Ze verloofden zich. Tijdens hun verloving schreef Daphne nog twee boeken die respectievelijk gepubliceerd werden als I'll Never Be Young Again (1932) en Julius (1933). Toen Browning haar in 1933 ten huwelijk vroeg moest ze niet lang nadenken. Enkele maanden na hun trouwdag werd Browning verplaatst naar een garnizoen in Egypte en Daphne volgde hem. Hiermee was haar eerste opdracht geslaagd; het vinden van een man,  bovendien een man die een zeker aanzien genoot. Maar het 

Christian, Daphne, Tommy, Tessa, Flavia
had ook zijn nadelen: diezelfde man verlangde naar kinderen en de geboortevan dochter Tessa (1933) was een feit. Dat het een meisje was betekende een teleurstelling, want de kinderkamer die was voorbereid was helemaal blauw, omdat Daphne ervan overtuigd was dat ze een jongen zou baren. Daphne was echter niet écht een moeder en ze liet veel over aan een kindermeisje, want Daphne wilde schrijven en wanneer ze dat deed was ze helemaal niet aanspreekbaar. Tessa verklaarde ooit dat ze zich niet één knuffel van haar moeder kon herinneren.


Inderdaad had Daphne het te druk met het scheppen van Jamaica

Inn dat verscheen in 1936. 1936 was het jaar waarin een tweede dochter werd geboren, Flavia. Tot grote teleurstelling van haar ouders bleek het dus weer een meisje. Flavia schrijft in haar A Daughter’s Memoirs (1994): ‘Rebecca and I were conceived about the same time in 1936, but whereas the novel was very much planned and thought out, I was unquestionably a mistake.’ Inderdaad, Rebecca verscheen in 1938. Het echtpaar zou tot 1940 moeten wachten om Christian – bijgenaamd Kits – te begroeten. De twee dochters zagen soms met lede ogen aan dat Daphne ook moederlijke gevoelens koesterde, maar die beperkten zich echter tot de lang verwachte zoon.



Hoewel  Jamaica Inn en Rebecca niet geschreven waren in Cornwall,  spookte de sfeer van Cornwall en Menabilly op iedere pagina. Het Manderley van Rebecca is echter niet het Menabilly van haar dromen, maar is meer gebaseerd op het huis waarin ze opgroeide, terwijl het toch alle kenmerken van Menabilly vertoont: de bloedrode rododendrons, de toren en de knik in de oprijlaan.

In 1941 schreef Angela een brief aan Daphne, die ergens in een garnizoensplaats leefde terwijl haar man deelnam aan de Tweede Wereldoorlog. De brief vermeldde dat er een meubelverkoop plaats had op Menabilly en vroeg of ze geïnteresseerd was. Daphne, die in een gemeubileerd huis woonde met haar drie kinderen, sloeg het aanbod af al was het met pijn in het hart. Het moest Menabilly zijn met alles erop en eraan. Ze was niet opgehouden met opzoekingen naar Menabilly te doen en ontdekte tot haar grote verbazing dat de huidige bewoner Rashleigh aan handen en voeten gebonden was: Menabilly was onvervreemdbaar erfgoed.

In 1943 waren Daphne en de kinderen in Fowey en daar zag ze hoe Menabilly langzaam totaal verkommerde. Het vereiste nogal wat spraakwater om de Rashleighs te overtuigen om haar dan minstens het huis te verhuren. Dat lukte.

Ze engageerde een troep metselaars, timmerlieden en aanverwante vaklui, naast elektriciens en een leger schoonmaaksters. Tegen de tijd dat Tommy met kerstverlof van de oorlog kwam, was het huis een blinkende parel en daarbij volledig gemeubileerd.

Soms vroeg Daphne zich wel eens af of haar passionele liefde voor het huis de liefde voor haar man en kinderen in de weg stond, maar ze wuifde deze gedachte zo snel mogelijk weer weg.
Ook was er de steeds knagende vrees dat het huis nooit het hare zou worden en dat er in een nabije toekomst een Rashleigh zou opdagen om het huis op te eisen. Daphne en Menabilly waren één geworden, het huis kende haar geheimen en zijn kende de geheimen van het huis. Toen ze verplicht werd haar intrek te nemen in Kilmarth, het huisje dat bestemd was voor de weduwen Rashleigh, begreep ze dat niets en niemand haar nog kon helpen, niet haar enorme fortuin, niet de wet, niet haar man – die zich sinds zijn thuiskomst van de oorlog steeds vreemder ging gedragen en erg verveeld zat met de enorme opbrengsten van haar boeken – hoewel hij vrienden en kennissen had tot in de nabijheid van de koningin. Wanneer Tommy Browning sterft in 1965 heeft hij net het huurcontract voor Kilmarth verlengd. Op Kilmarth schreef ze het ene boek na het andere. Het meest succesvolle The King’s General (1946) speelt tijdens de Burgeroorlog en heeft ook een rol voor Menabilly en zijn bewoners. Menabilly bleef haar droomhuis. De verzoening tussen haar en de Rashleighs werd een feit en ze mocht wekelijks op de koffie komen. Als ze echter weer eens verdwenen was, dan kon je haar terugvinden in de tuinen van Menabilly. Zo lang ze leefde was er geen vergiffenis in haar hart voor de Rashleighs die haar, althans volgens haar, de toegang tot het paradijs hadden ontzegd.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten