Bedenkingen, mijmeringen, oprispingen.

zondag 9 januari 2022

IN THE HEAT OF THE NIGHT

 





Toen ik Marc Reynebeau op radio-1 commentaar hoorde geven bij de dood van Sidney Poitier, en hem hoorde zeggen dat Poitier eigenlijk een veel te brave man was die weinig of niets heeft gedaan voor de ontvoogding van de zwarte mens, ben ik toch even uit mijn krammen geschoten. Eerlijk gezegd zou hij beter het nut van het verleden moeten kennen. Maar als je in Congo geboren bent en pas op twaalfjarige leeftijd naar Europa komt, was er voorzeker al een stuk filmgeschiedenis geschreven waarvoor kleine Marc blijkbaar weinig of geen moeite heeft gedaan om dat bij te spijkeren.

Poitiers tweede film bijvoorbeeld is Cry the Beloved Country en die werd gedraaid naar de debuutroman van Alan Paton –  Die boek handel oor ’n swart predikant en sy gesin in die 1940’s in Suid-Afrika. Dit belig groot ongelykhede tussen swart en wit mense, maar moedig hulle aan om mekaar nie te haat nie. De film werd in 1951 gedraaid in Zuid-Afrika en witte regisseur Zoltan Korda moest een foef bedenken zodat de twee hoofdrolspelers Canada Lee en Sidney Poitier zich in gemengd gezelschap – wit en zwart – zouden kunnen bewegen. Korda maakte een leercontract voor regie op voor beide acteurs  (die dus niet mochten acteren) en veegde voor de rest zijn voeten aan de apartheidswetgeving.



En dan is er Blackboard Jungle (1955) waarin leraar Glen Ford het opneemt tegen een klas vol boefjes. Een uitzondering echter is de eerder brave zwarte Gregory W. Miller (Sidney Poitier) die zich afzijdig houdt, tot ook die tot uitbarsting komt en leraar Dadier (DaddyO) uitdaagt het door hem ingeslikte Nigger-woord luidop te zeggen: Say it, Say it!



In 1957 is er The Edge of the City. Even een voorafgaande uitleg over wat een ceelbaas (havenjargon) eigenlijk is. Volgens Het Vlaams Woordenboek is het de naam voor een ploegbaas die verantwoordelijk is voor het lossen en laden van schepen. Naast de witte ploegbaas Charlie Malick (Jack Warden) die zo corrupt is als de pest en daar bovenop ook nog een racist is, is er ook de zwarte ploegbaas Tommy Tyler (Poitier). Wanneer Axel (John Cassavetes) bevriend raakt met Tommy, valt dat in zeer slechte aarde bij Charlie. Een laffe aanval op Tommy met een katoenhaak brengt Axel en Tommy nog dichter bij elkaar.

Wanneer de makers van Porgy and Bess (1959) bij Harry Belafonte aanklopten om de hoofdrol te vertolken, voorspelde deze dat de film een fiasco zou worden en dat hij niet wou meedoen, ook al omdat het toneelstuk nu niet echt succesvol was gebleken – bij de première was het zelfs een flop. Even tussen haakjes, in 1955 haalde Porgy and Bess de Scala van Milaan. Sidney Poitier was dus tweedehands materiaal, ik denk dat de nu 94-jarige Belafonte nog steeds zijn nagels opvreet over zijn beslissing.




                          In de zwart-witfilm Lilies of the Field 963)speelt Poitier een personage dat te goed is om waar te zijn. De brave zwarte die de brave nonnetjes helpt. Een wel meer gebruikte quote uit de film wordt uitgesproken door Homer Smith (Sidney): Gringo? I don't know if that's a step up or a step down from some other things I've been called. De brave jongen bracht hem in ieder geval een Oscar op, die voor het eerst in de geschiedenis aan een zwart persoon werd gegeven.




Het is wachten tot 1967 – let op, één jaar voor Reynebeau naar de beschaafde wereld kwam – wanneer Norman Jewison de roman van John Ball

In the Heat of the Night verfilmt. Sidney Poitier stond erop dat de film in het noorden van de USA werd opgenomen, dit nadat hij samen met Harry Belafonte bijna vermoord werd door enkele Ku Klux Klansmen bij een bezoek aan Mississipippi. De confrontatie van Virgil Tibbs (Poitier) met politiechef Gillespie (Rod Steiger), die een racist is die het racisme wel uitgevonden lijkt te hebben, is meesterlijk. Steiger kreeg een Oscar voor zijn misselijkmakende vertolking.

Gillespie: "Virgil"? That's a funny name for a n***er boy to come from Philadelphia. What do they call you up there?

Virgil Tibbs: They call me MISTER TIBBS!





Als voorgaande film Poitier als strijder voor de zwarte zaak voor de zoveelste keer op de kaart zette, dan was de minder brutale Guess Who’s Coming to Diner (1967) op zich toch zijn evenknie te noemen.

Dat Poitier moet optornen tegen Spencer Tracy (Best actor) en Katherine Hepburn (Best actrice) – zijn toekomstige schoonouders – schrikt hem niet af.


Voor mij houdt het hier op, maar zeggen dat Poitier een te braaf manneke was,  die weinig of niets heeft gedaan voor de zwarte ontvoogding, is lariekoek, alleen deed hij het niet op de brutale wijze die de BLM-mers gebruiken.


3 opmerkingen:

  1. Opmerking van Reynebeau is belachelijk! Hij heeft totaal geen inzicht in de geschiedenis van de 50er jaren. Sidney Potier was een van mijn helden uit die filmperiode en zijn filmposter sierde de muur van mijn slaapkamer (als student had ik ook posters van Mareen O’Hara en James Stewart hangen)

    BeantwoordenVerwijderen