Bedenkingen, mijmeringen, oprispingen.

dinsdag 15 maart 2022

VAN ONZE REPORTER (SOMS TER PLAATSE)

 

Victor Henry Elford was een Brits Formule 1-coureur uit Groot-Brittannië. Hij reed in 1968, 1969 en 1971 13 Grands Prix voor de teams Cooper, McLaren en BRM. Hij maakte ook naam in de wegracerij.

10 juni 1935, Peckham, Londen, VK –  13 maart 2022


***

Ooit was er een tijd waarin sport nog sport was - geen opgeblazen, zinloze business - en topsporters gewone mensen die evengoed op de kleintjes moesten letten. 

In 1965 won de zeer grote Jim Clark - Lulu Hamilton en Seb Vettel komen niet eens tot aan zijn enkels, zelfs niet als ze op elkaars schouder gaan staan - zes van de eerste zeven grands prix van het Formule 1 seizoen. De zevende, Monaco, had hij gemist omdat hij in de VS was voor de Indy 500.


Clark, een volbloed Schot, en Lotusbaas Colin Chapman hielden allebei evenveel van het slijk der aarde. 

De dag nadat zijn vriend Graham Hill Monaco won, scoorde Jimmy zijn historische zege in Indianapolis en datzelfde jaar won hij ook zijn tweede wereldtitel in de Formule 1. Niemand heeft het hem ooit voor- of nagedaan. Clark’s bruto-inkomen uit 13 grands prix Formule 1 bedroeg in 1965 13.340 pond. Dat is wel degelijk dertienduizend driehonderdveertig. Zijn zege in Indianapolis bracht hem meer dan 46.000 pond op. 

Hier ergens vindt u de verklaring waarom Chapman en Clark de grand prix van Monaco lieten links liggen, maar ook van het feit dat de grote Formule 1 sterren van de sixties ook sportwagenraces reden, en Formule 2, Indycar, toerwagens en zelfs occasioneel een rally of twee: het was financiële noodzaak, misschien iets minder voor iemand als Clark maar voor de meesten was de autoracerij allesbehalve een vetpot. Ook Clark bleef pretentieloos en bescheiden leven.

  



Zolder 1967, de enige keer dat hij daar reed, de eerste keer (van amper twee) dat ik 'm zag rijden. Op de eerste rij John Surtees, Jean-Pierre Beltoise en Jim. Op de tweede rij met het nummer 1: regerend wereldkampioen Jack Brabham. 


Een van de dingen die het Lotusteam ontdekte in Indianapolis, was dat Amerikaanse muntjes van 1 cent exact even groot en zwaar waren als Britse sixpence muntjes. Dit was in de dagen vòòr Groot-Brittannië decimaal ging. Sixpence was één veertigste van een Pound Sterling; een halve shilling. (Er ging twaalf pence in een shilling en twintig shilling - 240 pence - in een Pound Sterling…) Een sixpence was ongeveer zes Amerikaanse cent waard, en was het gebruikelijke muntstuk in Britse parkeermeters. U ziet ‘m al komen, denkt u, ja, maar niet helemaal. 

Het Lotusteam bracht wel degelijk een indrukwekkende zak muntjes van 1 cent mee uit de VS en ook Jimmy, noblesse oblige, gebruikte die gretig als hij in zijn Londense flat verbleef. Tot hij op de ochtend van Kerstdag 1965 buitenkwam, op het dak van zijn Lotus Elan een paar keurige stapeltjes Amerikaanse centen vond en een beetje verderop een parkeerwachter die een Goed Gesprek met ‘m wou… 



Het einde: Hockenheim 7 april 1968


Hij was mijn held. 

 


Geen opmerkingen:

Een reactie posten