Victor
Henry Elford was een Brits Formule 1-coureur uit Groot-Brittannië. Hij reed in
1968, 1969 en 1971 13 Grands Prix voor de teams Cooper, McLaren en BRM. Hij
maakte ook naam in de wegracerij.
10
juni 1935, Peckham, Londen, VK – 13
maart 2022
Ooit was er
een tijd waarin sport nog sport was - geen opgeblazen, zinloze business - en
topsporters gewone mensen die evengoed op de kleintjes moesten letten.
In 1965 won
de zeer grote Jim Clark - Lulu Hamilton en Seb Vettel komen niet eens tot aan
zijn enkels, zelfs niet als ze op elkaars schouder gaan staan - zes van de
eerste zeven grands prix van het Formule 1 seizoen. De zevende, Monaco, had hij
gemist omdat hij in de VS was voor de Indy 500.
Clark, een volbloed Schot, en Lotusbaas Colin Chapman hielden allebei evenveel van het slijk der aarde.
De dag nadat zijn vriend Graham Hill Monaco won, scoorde Jimmy zijn historische zege in Indianapolis en datzelfde jaar won hij ook zijn tweede wereldtitel in de Formule 1. Niemand heeft het hem ooit voor- of nagedaan. Clark’s bruto-inkomen uit 13 grands prix Formule 1 bedroeg in 1965 13.340 pond. Dat is wel degelijk dertienduizend driehonderdveertig. Zijn zege in Indianapolis bracht hem meer dan 46.000 pond op.
Hier ergens vindt u de verklaring waarom Chapman en Clark de grand prix van Monaco lieten links liggen, maar ook van het feit dat de grote Formule 1 sterren van de sixties ook sportwagenraces reden, en Formule 2, Indycar, toerwagens en zelfs occasioneel een rally of twee: het was financiële noodzaak, misschien iets minder voor iemand als Clark maar voor de meesten was de autoracerij allesbehalve een vetpot. Ook Clark bleef pretentieloos en bescheiden leven.
Zolder 1967, de enige keer dat hij daar reed, de eerste keer (van amper twee) dat ik 'm zag rijden. Op de eerste rij John Surtees, Jean-Pierre Beltoise en Jim. Op de tweede rij met het nummer 1: regerend wereldkampioen Jack Brabham.
Een van de dingen die het Lotusteam
ontdekte in Indianapolis, was dat Amerikaanse muntjes van 1 cent exact even
groot en zwaar waren als Britse sixpence muntjes. Dit was in de dagen
vòòr Groot-Brittannië decimaal ging. Sixpence was één veertigste van een
Pound Sterling; een halve shilling. (Er ging twaalf pence
in een shilling en twintig shilling - 240 pence - in een Pound
Sterling…) Een sixpence was ongeveer zes Amerikaanse cent waard, en
was het gebruikelijke muntstuk in Britse parkeermeters. U ziet ‘m al komen,
denkt u, ja, maar niet helemaal.
Het Lotusteam
bracht wel degelijk een indrukwekkende zak muntjes van 1 cent mee uit de VS en
ook Jimmy, noblesse oblige, gebruikte die gretig als hij in zijn
Londense flat verbleef. Tot hij op de ochtend van Kerstdag 1965 buitenkwam, op
het dak van zijn Lotus Elan een paar keurige stapeltjes Amerikaanse centen vond
en een beetje verderop een parkeerwachter die een Goed Gesprek met ‘m
wou…
Het einde: Hockenheim 7 april 1968
Hij was mijn
held.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten