Gisteren, zondag, liep ik even met echtgenote Nadine mee naar het huis van onze overleden dochter, Soetkin,, waar Nadine bezig is met het opruimen van het verleden van diezelfde dochter, die er blijkbaar in was geslaagd om dat verleden onder een laag stof te bewaren die nog groter was dan de stofwolken die je in een televisiereclame het huis ziet uitmarcheren nadat er een swiffer is overgegaan.
Ik houd het daar geen vijf minuten uit en ik bewonder Nadine steeds dat zij dat wel kan, maar ze zeggen dat vrouwen praktischer zijn. Ik besloot even langs Els te gaan, Els die Soetkin als leerling had in het eerste studiejaar, sprak op Soetkins begrafenis en ik wilde haar er nog eens om bedanken. Niet thuis, dan maar de tram genomen richting vogelenmarkt. Karakollen gegeten bij Ferdi Vandeloo en vervolgens een broodpudding gekocht, die op opat terwijl ik richting plantentuin aan de Leopoldstraat liep. Na even mijmeren aan het stromende water liep ik het Elzenveld op.
Het was sinds de dood van Soetkin dat ik de twee spoken van Albert Szukalski niet meer had bezocht, terwijl dat toch onderdeel is van mijn wekelijkse dweiltocht, ja door de stad dweilen en wekelijks de verschillen zien, had ik de laatste maand verwaarloosd. Op de steen voor het beeld van Maurice Gilliams lag een vrouw op een dekentje te luisteren naar haar man/vriend die een geweldige Gilliams fan bleek en haar voorlas uit ‘Elias of het gevecht met de nachtegalen’, althans dat vermoed ik, het was in elk geval proza.
Ik liep verder en sprak even met de spoken die ik steeds vereenzelvig met Albert en ik betrapte me erop dat ik dat luidop deed. Ik zei hem dat hij, wanneer hij Soetkin eventueel moest tegenkomen in de wereld waarvan ik het bestaan ontken, dat hij met haar wel een goed gesprek kon hebben. In ieder geval op niveau.
Terwijl ik langs het terras van de Boer van Tienen liep, zag ik een verkeersbord dat me vertelde dat de Begijnenstraat afgesloten was, nu sloten ze in die straat niet alleen de mensen op, maar ook nog af, je kunt je dus vergissen. Ik was in het Vleminckveld toen ik plotseling een gevoel van eenzaamheid over me voelde komen, even wist ik zelfs niet meer hoe ik daar gekomen was. Ik bleef een tijdje stilstaan en begon aan een reconstructie, wat me uiteindelijk wel lukte. In de Schoytestraat ontdekte ik – terwijl ik toch regelmatig die straat neem – voor het eerst het Lode Sebrechtsparkje. Even op een bank tussen het groen dacht ik na over Lode die maar liefst 96 is geworden. Ik leerde hem kennen toen ik nog voor uitgeverij Libra van Gust Konings werkte.
Op het Sint-Andriesplein was er een sportdag aan de gang en ik merkte hoe alleen je kunt zijn te midden van zo’n grote groep mensen. In Het Heilig Huisken dronk ik een koude Cecemel – chocomelk is mijn en was Soetkins lievelingsdrank, terwijl denkend aan Soetkin en me afvragend waarom ik nog rondloop terwijl zij er niet meer is. 
Geen opmerkingen:
Een reactie posten