ZOMERAVOND
Pete Seeger opgedragen
De
tafeltjes in café Sherlock stonden schots en scheef, bierviltjes hielden ze in
evenwicht. De uitbater, Bill Graham, was een Engelsman die lange jaren zijn
brood verdiende als bedelend straatzanger, maar toen hij in Antwerpen belandde
– Antwerpen wordt wel eens het kerkhof van de bedelende straatzanger genoemd –
ging al het geld dat hij tijdens de dag verdiende ’s nachts op aan drank en
vrouwen. Op een dag besloot hij dat dit niet langer kon en opende Sherlock. Het
café kreeg die naam omdat hij een bewonderaar was van Arthur Conan Doyle van
wie hij zowat alles wist. Belloc, die een regelmatig bezoeker was, had hem al
eens gesuggereerd dat hij zijn grote kennis moest uitbuiten en moest deelnemen
aan een quiz. Maar Bill had hem geantwoord dat zijn Vlaemsch daar niet goed
genoeg voor was en daarmee was de kous af.
Op
vrijdag- en zaterdagavonden trad Bill op met gasten en zijn optredens werden
erg gesmaakt door een publiek dat in folk was geïnteresseerd.
Belloc
nam plaats aan een tafeltje en bestelde een cola. Een slordig geklede man, met
lang grijs sluikhaar, hing aan de toog en hield een betoog over bezoekers van
een vernissage, zo luid dat iedereen het wel moest horen.
‘Ze
komen naar je werk kijken, meestal met de bedoeling niets te kopen, daar begint
het al. Als je dan met hen aan de praat raakt, beginnen ze te praten over de
doeken die ze al wel hebben gekocht en dat ze nu geen plaats meer hebben om
iets te hangen. Waarom komen ze dan, verdomme! Ze hebben er eentje van die en
dat werk kostte zoveel, dat van die andere was wat goedkoper omdat ze het aan
atelierprijs kregen en in het zwart.’ Dan wendde hij zich zonder enig
aanwijsbare reden tot een grote roodharige vrouw en riep: ‘En jullie kutwijven
zijn nog erger. Jullie gaan vreemd terwijl je nog helemaal niks hebt gezopen,
terwijl wij mannen enkel vreemd gaan als we zat zijn.’ De roodharige gaf hem
een vernietigende blik en dat bleek voldoende.
Belloc
zag zijn vriend Boterberg binnenkomen en rondkijken. Hij stak zijn hand op en
de man kwam zijn richting uit.
‘Hier
zijn we dan,’ zei Boterberg. Hij ging zitten. ‘Over wat zullen we het hebben?’
‘Ik
wilde jouw mening over iets hebben. Je weet dat ik enkele tijd geleden de
Nederlandse politie heb geholpen om twee moeilijke zaken op te lossen, wel, dat
heeft de Nederlandse kranten en roddelbladen gehaald, omdat er nogal wat
bekende Nederlanders bij betrokken waren en dus is mijn naam meerdere keren
gevallen. Hierdoor ben ik in een talkshow beland, maar dat weet je allemaal. Nu
heeft de VPRO me gevraagd om in hun programma ‘Zomeravonden’ te komen zitten.
Ik heb nog niet ja of niet nee gezegd, maar ik heb een beetje mijn huiswerk
gemaakt en vraag jou nu om te beoordelen of ik een boeiend programma heb
samengesteld. Als jij vindt van wel, dan zeg ik ja. Wat denk je?’
‘Bedankt
voor de eer. Maar ik vrees dat je mij overschat.’
‘Helemaal
niet. Wil je dat voor mij doen?’
Terwijl
hij dit zei, haalde Belloc enkele dubbelgevouwen A4-tjes uit zijn binnenzak en
legde ze open op het tafeltje.
‘Een
zomeravond met Hilaire Belloc.’ las hij
plechtstatig, zoals kinderen die voor het eerst een gedicht oplezen.
‘Vooruit
dan maar,’ zei Jacob lachend en vroeg Bill om nog twee cola’s.
‘Om de toon te zetten zou ik willen beginnen
met een tv-film, een pilootfilm voor de tv-serie ‘The bold ones’ met als titel
‘The whole World is watching’, waarin een student wordt beschuldigd van moord
op een politieagent en de rechtszaak die daarop volgt en de verschillende
getuigenissen. De scènes die ik graag zou zien is het studentenprotest en de
chant ‘The whole World is watching’ en deze laten volgen door de scene op de
trappen van het gerechtsgebouw waar de student Gil terechtstaat. Burl Ives,
James Farentino, Joseph Campanella, Carrie Snodgress en Hal Holbrook zitten in
deze film die de jaren zestig perfect weergeeft.
‘Om
verder te gaan zou ik een scène willen laten zien uit The play on one, met de
titel ‘Changing step’, geregisseerd door Richard Wilson.’
‘Waarom
zegt die naam me iets?’
‘One foot in the Grave?’
‘Victor
Meldrew!’
‘Inderdaad,
maar wat die man in zijn mars heeft! Zoals ik zei, ik wil een stukje laten zien
uit ‘Changing Step’. Het speelt in een door het leger gevorderd kasteeltje
tijdens WO I, dat is omgebouwd tot een hospitaal. Daar worden soldaten met één
been opgevangen. De scène is, dat je samen met iemand door het raam kijkt, naar
soldaten die worden gedrild, ze hebben allemaal één been en marcheren op
krukken. De bevelen gaan als volgt: ‘One, One, One, One’. Een sterkere
aanklacht tegen de oorlog kun je nauwelijks vinden.’
‘Je
maakt me nieuwsgierig naar de hele film.’
‘Een
andere aanklacht is ‘Mutter
Courage und ihre Kinder’
van Berthold Brecht. Brecht was
ambulancebroeder in de Eerste Wereldoorlog, dus wist hij heel wat van de
wreedheid van oorlog. Hij schreef het stuk na de invasie van Polen door
Duitsland in 1939. Waarschijnlijk het sterkste toneelstuk van de twintigste
eeuw en daarbij nog het beste anti-oorlog theater aller tijden, al zullen er
dan weer een heleboel mensen zijn die het stuk verouderd vinden. Wel ik niet.
Als er beelden zouden zijn met de Vlaamse Yvonne Lex als Moeder Courage dan
graag, maar ook beelden van een Engelse versie in een regie van Deborah Warner
en met Fiona Shaw grijpen je naar de keel.’
‘Ik
heb het nooit gezien, want mijn vrouw houdt niet van theater en daar ga je niet
alleen naartoe, vind ik. Maar ik heb wel van horen zeggen dat het een prachtig
stuk is, dus…’
‘Nu
we bij Brecht zijn, kunnen we er even blijven met ‘Die Dreigroschenoper’ en het prachtige lied ‘Seeräuber Jenny’, met aan
elkaar gemonteerde zangeressen zoals Lotte Lenya, Hildegard Knef, Nina Simone –
bij haar zitten we gelijk in de strijd voor burgerrechten van de zwarte
Amerikanen, Marianne Faithfull en Haydee Thompson. Ik zong de tekst
Und ein Schiff mit acht
Segeln
Und mit fünfzig Kanonen
Wird liegen am Kai.
al
mee toen ik ongeveer tien jaar was, denk ik. Nu ik de woorden begrijp zie ik er
veel meer in dan toen, uiteraard, en als ik aan het einde van het lied hoor
Und an diesem Mittag wird es
still sein am Hafen
Wenn man fragt, wer
wohl sterben muss.
Und dann werden Sie
mich sagen hören: Alle!
Und wenn dann der Kopf
fällt, sag ich: Hoppla!
weet
ik dat Jenny een jaloerse, bezittelijke vrouw is die Mackie Messer helemaal
voor zichzelf wil hebben, het type vrouw waar ik helemaal niet van houd.’
‘Dit
ken ik wel, heb ooit de film gezien met Curd Jürgens en Hildegard Knef. Niet
echt een meesterlijke film, maar het verhaal blijft natuurlijk onverwoestbaar.
Goede keuze zou ik zeggen.’
‘Ik
wil in dezelfde sfeer blijven met ‘Cabaret’ waarin Liza Minelli de rol van haar
leven speelt. Ik zou graag de passage zien waarbij de hoofdpersonages halt
houden in een landelijke uitspanning, waarbij uiteindelijk een Hitlerjongen het
lied ‘Tomorrow belongs to me’ gaat zingen en men iedereen aan het eind met
opgeheven hand ziet staan. Daarin verwerkt zie je een oude man die
hoofdschuddend al deze waanzin aanziet en aanhoort en weet dat een nieuwe
vloedgolf er zit aan te komen. Zelden heb ik de wijsheid van ouderen zo sterk
uitgebeeld gezien. En de uitspraak wanneer ze terug in de auto stappen: ‘Denk
jij nog steeds dat je dit onder controle kunt houden?’ is dodelijk.’
‘Die
film heb ik al wel drie keer gezien en ik vind dit een uitstekende keuze, die
snotneuzen zouden eens wat meer naar oude zeikerds zoals wij moeten luisteren.’
‘Niet
te serieus worden, Jacob, ik ben al ernstig genoeg. Daarom, om het even wat
luchtiger te houden zou ik nu graag een scène zien uit een natuurdocumentaire.
De bewuste scène met de dronken olifanten. Deze hebben zich te goed gedaan aan
op de grond liggende rottende bananen waarvan de suiker zich duidelijk al heeft
omgezet in pure natuurlijke alcohol. Tegelijkertijd hilarisch en triest, want
als men van die olifanten mensen maakt en het misbruik van alcohol ziet, stelt
men zich vragen over het drugsbeleid. Als ik op zaterdagochtend om negen uur
bij mijn supermarkt bier kan gaan proeven, vind ik dat ontoelaatbaar. Eigenlijk
op eender welk uur van de dag. En klootzakken die zeggen ‘water betaal ik niet,
je moet maar een pilsje drinken’ zouden ze moeten opsluiten. Je weet van mijn
klein drankprobleempje en daarom ben ik nu zo radicaal. Je hoeft voor mij geen
geheelonthouder te zijn, dat weet je, maar als er iemand bij mij op kantoor
binnenkomt met een houten kop van het zuipen, zal ik hem of haar wel de les
lezen.’
‘Heb
ik nooit gezien, maar het lijkt me wel wat.’
‘Een
scène uit ‘Sex and the city’ – niet direct mijn uitverkoren soap - heeft me toch diep getroffen.’
‘Jij
kijkt naar die rotzooi? Dat had ik van jou niet gedacht.’
‘De
enige actrice in deze soap die een echte vrouw kan worden genoemd is volgens
mij Kim Cattrall in haar rol van Samantha Jones.’ ging Belloc onverstoord verder.
‘Kim is Engelse van geboorte. Toen ze drie maanden oud was emigreerden haar ouders
naar Canada waar ze haar opvoeding genoot. Deze femme fatale houdt van jongere
mannen en dat was de scenaristen van ‘Sex and the city’ wel opgevallen, denk
ik. Maar het is pas toen dezelfde schrijvers haar met kanker opzadelden dat ze
zich kon ontplooien tot de grote actrice die ze is. De scène waarnaar ik
refereer is de scène waar ze tot een groep vrouwen spreekt over kanker. Hoewel
het niet in het scenario was opgenomen, nam Kim haar pruik af en daarop volgden
heel wat vrouwen in de zaal haar voorbeeld. Een van de weinige momenten in ‘Sex
and the city’ die van ware grootheid
getuigt en dan nog niet dankzij het scenario, maar dankzij een actrice.’
‘Tja,
kanker. Mijn collega’s zeggen dat het nog toeneemt, steeds meer kankergevallen.
Het moet erg zijn mensen te zien aftakelen, dan nog liever mijn baan, ik heb
alleen maar met doden te maken.’
‘Dan
wat over vrouwen en mijzelf. Ooit vroegen ze me om jurylid te zijn in een look
alike wedstrijd voor Marilyn Monroe. Ik ben nogal erg bevriend met een filmrecensent
en die wist van mijn voorkeur. En zo is het gekomen, om het zo te zeggen. Ik
ben een van die cinefielen die het eigenlijk in de eerste plaats te doen was om
blote borsten en soms iets meer. Als het daarom een Ingmar Bergman film moest
zijn, dan was het maar zo.
‘Daarom
hier graag enkele aan elkaar gelaste scènes uit films van: Brigitte Bardot in
‘La lumière d’en face’ waarin ze als barmeisje gevraagd wordt om ijs in een drankje
te doen. Ze moet zich bukken en een tweede man vraagt ook om ijs. ‘Jayne
Mansfield in ‘The girl can’t help it’, scène waarin ze samen met haar agent
naar een bar gaat en naar het damestoilet gaat, begeleidt door de heksende
muziek van Little Richard ‘The girl can’t help it’. De zin uit deze film is: If that’s a girl then I don’t know what my
sister is! Dat
Julie Londen hier haar ‘Cry me a river’ mocht doen, is alleen maar een plus.
‘Marilyn Monroe in ‘The seven year Itch’ van Billy Wilder - die haar later ook
zou laten optreden in ‘Some like it hot’. De wereldberoemde scène met de
opvliegende jurk boven de luchtkoker van de ondergrondse.‘Elizabeth Taylor in
‘Butterfield 8’ naar de roman van John O’Hara. De scène: Liz die uitroept: ‘I was the slut of all time!’.’
‘Met
uitzondering voor Liz hebben ze allemaal wel heel in het oog vallende
attributen, zou ik zeggen.’
Belloc
zag de glimlach op Jacobs gezicht en besloot hier niet op in te gaan, dat zou
hen te ver afleiden besloot hij.
‘En
er is die scène uit een natuurdocumentaire van David Attenborough, waarin een
klein mannelijk vogeltje in de paringstijd een heel huisje bouwt om een
vrouwtje te versieren. Gewoon ontroerend mooi en dat alles voor een wip van
zegge en schrijve één seconde.’
‘Heb
ik nooit gezien. Ik had nooit die romantiek achter jou gezocht moet ik zeggen.’
Belloc
besloot ook daar niet op in te gaan en vervolgde.
‘Om
er een vleugje moderne muziek bij te halen zou ik graag iets van de Travelling
Wilburys horen.’
‘Jammer
dat ze maar twee cd’s hebben gemaakt. Voor mij is ‘Congratulations’ de song van
album 1 en 3.’
‘Ergens
moet er ook nog plaats zijn voor de Highwaymen, daarin verzamelden Waylon
Jennings, Kris Kristoffersen, Willie Nelson en Johnny Cash hun kunnen om een
countryband te maken. Het geniale ‘I do believe in a higher power’ zou in
iedere platenkast aanwezig moeten zijn.’ Belloc zong zachtjes voor zich heen:
In my own way, I'm a believer.
In my own way, right or wrong.
I don't talk too much about it.
It's something I keep workin' on.
I don't have too much to build on,
My faith has never been that strong.
‘Toen
ik veertien jaar was kocht ik in een communistische boekhandel een
33-toerenplaat van Paul Robeson die me tot op de dag van vandaag blijft
ontroeren, ‘ begon hij weer. ‘ Naast zijn beroemde ‘Ol’ man river’ met door hem
zelf aangepaste tekst, zingt hij de revolutionaire Ierse ballad ‘Kevin Barry’ –
dat zal mijn latere liefde voor de Ierse muziek van The Clancy Brothers wel mee
bepaald hebben. Maar vooral zijn versie, gedeeltelijk in het Russisch, van ‘De
boottrekkers van de Wolga’ bleef bij mij nazinderen en in onbewaakte
ogenblikken waagde ik me aan een fonetische karaoke en als ik er nu over
nadenk, hoop ik dat er nooit Russen in de buurt waren, want die zouden zich
hebben bescheurd. Daarnaast was er ook ‘Los cuatro generales’ een lied uit de
Spaanse Burgeroorlog. Deze broedermoord heb ik nooit begrepen en zal ik ook
nooit begrijpen, een burgeroorlog tout court niet. Hierdoor ging ik me
verdiepen in de Spaanse Burgeroorlog en in de persoon van Paul Robeson. In zijn
biografie staat ook dat hij ’de mijnwerkers van Wales een hart onder de riem
ging steken’. Maar hij kreeg geen uitreisvisum uit de VS wegens zogenaamde
communistische sympathieën en kon niet naar Wales. Toen heeft hij over een
radioverbinding met Wales gezongen. Dit verhaal werd gedaan door een dame die
er toen bij was. In het BBC programma
‘Flog It’ interviewde presentator Paul Martin haar ter plekke. Grootse
televisie.’ Belloc begon te zingen met
zijn diepste basstem:
Los cuatro generales, (3 x)
mamita mía, que se han alzado,
que se han alzado.
Para la nochebuena, (3 x)
mamita mía, serán ahorcados,
serán ahorcados.
Bill
had dadelijk zijn gitaar gegrepen en zong nu mee:
Madrid, qué bien resistes, (3 x)
mamita mía, los bombardeos,
los bombardeos.
De las bombas se ríen, (3 x)
mamita mía, los madrileños,
los madrileños.
Jacob
zat hen aan te kijken en verwonderde zich over het vuur waarmee ze dit lied
brachten. Belloc maakte van de gelegenheid gebruik om nog een cola te bestellen.
‘Als
volgende zou ik graag de eerste ontmoeting zien tussen Woody Guthrie (David
Carradine) en Ozark Bule (Ronny Cox) uit de film ‘Bound for glory’ een film van
Hal Ashby. Deze ontmoeting is bepalend voor het engagement dat Guthries verdere
leven zal bepalen. Het speelt zich in die dagen dat ‘The Grapes of Wrath’ van
John Steinbeck speelt, geniaal verfilmd door John Ford met een eveneens geniale
Henry Fonda, die in zijn rol van Tom Joad later Bruce Springsteen zal
inspireren.
‘Bound
for glory’ kreeg zes Oscarnominaties (twee omgezet), vier Golden Globes
nominaties, de Gouden Palm in Cannes,
plus nog vier winners.’
‘Ik
kijk ernaar uit. Heb de film wel nooit gezien, maar die periode interesseert
mij ook uitermate.’
‘Nu
we zijn aanbeland bij Guthrie en zijn engagement, mag ik zeker Pete Seeger niet
vergeten. Guthrie en Seeger waren op een bepaald ogenblik samen bij The Almanac
Singers, waartoe ook enkele andere folksingers behoorden. Seeger was de
leadsinger in ‘Viva la quince brigada’, over het vijfde regiment, samengesteld
uit de getrainde militie van de communistische partij en de burgers van Madrid.
Niet te verwarren met de vijfde colonne, uitdrukking die eveneens werd geboren
in de Spaanse burgeroorlog. Toen de vier nationalistische bataljons van
generaal Franco oprukten naar Madrid, hield generaal Emilio Mola een
radiotoespraak om de republikeinse verdedigers van de stad te demoraliseren,
daarin sprak hij over een quinta columna in Madrid, aanhangers van Franco dus. Ik wil trouwens nog iets rechtzetten over ¡No pasarán!, waarvan wordt aangenomen dat het voor het eerst werd gebruikt in de
Spaanse burgeroorlog door La Pasionaria, maar het waren ofwel de Franse
generaals Nivelle of Pétain die het voor het eerst gebruikten bij de Slag om
Verdun in de Eerste Wereldoorlog, maar toen klonk het: Ils ne passeront pas! Weet je dat ik dat voor het eerst heb gelezen in
een boek van Upton Sinclair ‘No Pasaran!’ Nu terug naar ons onderwerp. Guthrie nam de
solo in ‘Jarama valley’ voor zijn rekening.
Jarama Song (Red River Valley)
There's a valley in Spain called Jarama /
It's a place that we all know so well /
It was there that we gave of our manhood /
And there that our brave comrades fell
We are proud of the Lincoln Battalion /
And the fight for Madrid
that we made /
Where we fought like true sons of the people /
That Fascism never should reign
Now we're leaving this valley of sorrows /
And its memories we'll never forget /
So before we continue this reunion /
Let us stand to our glorious dead
‘Twee
liederen uit de Spaanse burgeroorlog. Dit laatste vertelt over de Slag om
Jarama in februari 1937, waar de Internationale Brigades die op die plek waren
samengesteld uit Engelse, Ierse, Amerikaanse, Franse, Balkan, en Belgische
onderdanen, vochten tegen een overmacht van Franco. Maar de rivier Jarama bleef
zelfs na veertien dagen de scheidingslijn tussen de twee legers. Naargelang de
bronnen zou het dodental voor beide partijen op 45.000 worden geraamd. Het
volgende groepje waar Seeger toe behoort zijn The Weavers, maar als Seeger
weigert te verschijnen voor de commissie van senator McCarthy, belandt hij op
de zwarte lijst en is het ook gedaan met The Weavers.
‘Seeger
zal later Carnegie Hall doen vollopen met zijn beroemde concert waar ‘We shall
overcome’ de hymne werd voor alle mensen die voor de vrijheid vechten. Op
dezelfde dag zong hij ‘Guantanamera’ naar de eeuwigdurende top.
Yo
soy un hombre sincero Ik ben een oprecht
mens
de
donde crece la palma en kom van waar
de palmen bloeien
y
antes de morirme quiero alvorens te
sterven heb ik één wens
echar
mis versos del alma. verzen uit mijn ziel
te doen vloeien.
‘Dit
gedicht werd geschreven door de Cubaan José Martí van wie men doorheen heel
Cuba standbeelden ziet, tot in de kleinste dorpjes. Cubanen zijn wel zo slim om
een dichter te eren. Je vindt er niet zoveel standbeelden van bloedige Ché, de
man die zoveel bloed aan zijn handen heeft dat zelfs Fidel hem naar de
achtergrond heeft geschoven, misschien wel heeft laten vermoorden. Maar in mijn
ogen zal Pete Seeger altijd de auteur blijven van ‘Where have all the flowers
gone’ dat ik graag zou horen in de Duitse versie van Marlene Dietrich ‘Sag mir
wo die blumen sind’.
‘Sag
mir wo die blumen sind,’ begon Jacob te zingen. ‘Ik heb nooit geweten dat dit
oorspronkelijk Engels was, ik heb altijd gedacht dat het lied dateerde uit de
Tweede Wereldoorlog en Duits was. Dat heb ik vandaag dan weer geleerd.’
‘Zwarte
auteurs hebben mij ook steeds geboeid; James Baldwin, Richard Wright, Ralph
Ellison, Willard Motley, Walter Mosley, de schitterende hilarische Gravedigger
Jones – Coffin Ed Johnson verhalen van Chester Himes die trouwens erg sterke
films opleverden, zijn er enkele van. Racisme en de reactie hierop, armoede en
de soms daaruit voortvloeiende misdaad, onbegrip zijn de thema’s die steeds
weerkeren. Maar niets kan zo scherp zijn als die ene song, geschreven door een
in Bronx, New York levende Joodse onderwijzer Abel Meeropol onder het
pseudoniem Lewis Allan: ‘Strange Fruit’.
Southern trees bear a
strange fruit,
Blood on the leaves and
blood at the root,
Black body swinging in the
Southern breeze,
Strange fruit hanging from
the poplar trees.
‘Zijn waarschijnlijke inspiratie was een foto van
een lynchpartij van twee negers die in 1930 in
Marion (in de staat Indiana) werden opgehangen. Billie Holiday zong het voor
het eerst in 1939 in Café Society in Greenwich
Village, New York. Graag wil ik Holiday dit zien zingen en dan langzaam
overgaan naar Carmen McRae.’
‘Volledig goedgekeurd. Ze spelen haar veel te
weinig. Weet je, mijn vader vertelde me dat ze ooit op de jukebox van café Al
Jolson stond en dat hij en zijn vader daar bij de bevrijding van Antwerpen, op
straat - iedereen stond toen op straat - samen op haar muziek hebben gedanst,
op het nummer ‘Shoo-Shoo Baby’ als ik het goed heb.’
‘Is dat van Billie Holiday?’
‘Nee, Carmen Mc Rea. Ze heeft later zelfs een huldeplaat
voor Billie Holiday opgenomen, zij was Amerikaanse van Jamaicaanse origine. Op
die jukebox van café Al Jolson stonden uiteraard Glenn Miller and His orchestra, maar ook
Louis Jordan met ‘Choo Choo Ch’Boogie’, de Andrew Sisters met ‘Rum and Coca
Cola’ en uiteraard Al Jolson hemzelf , met ‘Sonny Boy’, ‘Mammy’ en ‘Swanee
River’, en volgens mijn pa brulde iedereen die laatste mee. En ik heb recent
nog een cd gekocht met blues girls en de beste hiervan was de blanke Ella Mae
Morse met ‘Cow-Cow Boogie’ en ook die stond op die jukebox.’
‘Je blijft me verbazen. Maar goed. Als je er goed
bij nadenkt, is de song ook al een voorafschaduwing van hetgeen met de Joodse
mensen in Europa stond te gebeuren.’
‘Zo heb ik het nog nooit bekeken.’
‘Om binnen de politiek te blijven, roep ik 21
augustus 1968 op.’
‘En wat is er dan gebeurd?’
‘De inval in Tsjecho-Slowakije door de zogenaamde
troepen van het Warchaupact, maar het waren wel in hoofdzaak Russen, en dat was
het einde van de Praagse lente. Het begin van de hernieuwde onderdrukking van
de vrije meningsuiting.’
‘Natuurlijk. Hoe kon ik dat vergeten?’
‘Hoe vreselijk ik het ook vond, maar ik wil de
zelfverbranding van student Jan Palach in herinnering brengen. Als iemand van
zichzelf een fakkel maakt om de vrijheid van meningsuiting te verkrijgen, mag
dat nooit worden vergeten. Hierop aansluitend wil ik graag de vreugdetaferelen
zien die zich in Praag afspeelden na het behalen van de gouden medaille door de
Tsjecho-Slowaakse ijshockeyploeg in het WK van 1972, waar ze de Russen naar de
tweede plaats verwezen.’
‘Voetbal is oorlog?’
‘Ja, en ijshockey nog meer. Om verder aan te tonen
wat je met je lichaam allemaal kan, wil ik graag nog een uitvoering van de
‘Bolero’ van Maurice Ravel, door een danser van Maurice Béjart, de aan AIDS
gestorven Jorge Donn. Hemels. Als er nog beelden zijn zou ik graag de
uitvoering zien die op een ponton in Venetië werd gedanst. Maar een andere is ook
goed.’
‘Jij vraagt veel, Belloc, ik hoop dat ze het
allemaal kunnen terugvinden.’
‘Alles of anders niks. Ik heb trouwens nog een
verzoek. Als
laatste wil ik graag enkele passages uit ‘Before Stonewall’, een documentaire
over de homo- en lesbische bevolking van New York, voor de Stonewall-rellen
zich voordeden. De hele geschiedenis van de homoseksuele bevolking veranderde
met één slag op de dag dat een aantal travestieten weerstand boden aan de
politie toen deze probeerde voor de zoveelste keer het café Stonewall te
ontruimen. Stand up, fight for your right!
‘Terugkijkend
moet ik zeggen dat het hier veel over oorlog en dood gaat, over menselijke
waardigheid en over verzet. Maar moeten we niet altijd alert blijven, moeten we
niet benadrukken dat de vrijheid van het woord heilig is en dat geen staat of
godsdienst deze mag onderdrukken.
‘Godsdienst
slaagde en slaagt er al eeuwen in mensen tegen elkaar op te zetten. De
uiterlijke jihad is erop gericht de gewapende strijd te voeren tegen diegenen
die de islam en de islamitische maatschappij bedreigen. Ondertussen proberen ze
van de hele wereld een islamitische maatschappij te maken. Sinds de dood van
Jezus aan het kruis, mocht die al hebben bestaan, hebben de Joden hun leven
steeds duur moeten verkopen, en dan zijn er heerschappen die steeds klaar staan
om te zeggen hoe fout ze zijn als ze zich verdedigen door de aanval. Natuurlijk
hebben de critici gelijk met hun bewering dat ze zich nog altijd blijven
beroepen op de Holocaust en de pogroms om hun bombardementen op onschuldige
burgers te rechtvaardigen. Er bestaat niet zoiets als een uiterlijke jihad bij
de katholieken, maar ze hebben historisch gezien wel hun best gedaan. De
kruistochten zijn daar een voorbeeld van en het autodafe in de Spaanse gebieden
is ook nooit meer goed te praten. De verdrijving van de Joden uit Spanje levert
ook een aantal minder leuke pagina’s Spaanse geschiedenis op, terwijl zelfs
medestanders, namelijk de erg kritische jezuïeten, werden gekielhaald. Ik vind
dat ze al die godsdienstfanaten door het hennepen venster moeten laten kijken.
‘De
film die ik wil laten volgen is ‘La rebelión de los colgados’ een lowbudget
Mexicaanse zwart-wit film uit 1954, gebaseerd op een boek van Ben Traven, het
boek verscheen in het Nederlands als ‘De opstand der gehangenen’. Ik heb de
film ooit in de ene of andere achterafbioscoop gezien, waar zich een filmclub
had gevestigd.
‘Pedro
Armendáriz die meer dan 120 films draaide, was nauwelijks bekend bij het grote
publiek, maar toen hij in het voorafgaande jaar met Luis Buñuel ‘El Bruto’ maakte, werd hij plots voor vol
aanzien.
‘La
rebelión de los colgados’ vangt aan
wanneer hij zijn stervende vrouw naar de stad brengt voor medische verzorging.
De dokter, een op geld beluste eikel, wil niet opereren als er geen boter bij de
vis is gelegd, dus moet Pedro op zoek naar geld. Hij vindt het geld, maar het
is al te laat, zijn vrouw is dood. Het blijkt dat zich heeft verkocht aan een gangster
die zijn werklui gebruikt als slaven, en erger. Hij rekruteert arme en
onwetende boeren om te werken in kampen die ver afgelegen zijn van de bewoonde
wereld en waar ze erger dan slavenarbeid moeten verrichten. Daarbovenop zijn de
straffen onmenselijk, zij die dwarsliggen worden aan hun handen opgehangen en
gemarteld en wanneer er al eens een dode valt, wordt die onmiddellijk zonder
enig ceremonieel begraven. De getoonde brutaliteiten zijn nog net te verteren.
Maar de gehangenen komen in opstand! Indertijd werd de film afgedaan als
socialistische of communistische propaganda, maar voor mij gaat hij over
sociale rechtvaardigheid en het foute gebruik van macht.’
‘Ik
ga zeker kijken,’ zei Jacob.
‘Echt
waar?’
‘Echt
waar! Zeg hoe is het nu met je vader?’
‘Dat
vertel ik je later wel eens.’
‘Ik
ben mijn vader gisteren nog eens gaan bezoeken. Triest man. Hij zit daar
vastgemaakt in een rolstoel, nog nauwelijks de helft van wat hij vroeger was.
Zelfs muziek interesseert hem niet meer en je weet hoe hij dweepte met de
Belgische jazzscene. Chas Remue, Stan
Brenders, Fud Candrix, Jean Omer en David Bee waren zijn idolen. Hij herkent me
nog, dat wel, maar een zinnig gesprek zit er niet meer in. En dan die verdomde
tic. Hij maakt steeds zijn vingertoppen nat met speeksel en dopt dan imaginaire
kruimels van het tafelblad. Langer dan een half uur houd ik het niet meer uit.’
‘Tja,
wie wil er nog oud worden,’ zei Belloc met een zwaarmoedige triestheid, die
zijn vriend verwonderde. ‘Ik wil doodgaan zoals mijn grootvader. Die zei tegen
zijn zoon, mijn vader dus, ik heb besloten om vandaag dood te gaan en drie uur
later stierf hij heel vredig.’
‘Ik
heb dat ooit in een film gezien, maar dat was een boeddhistische monnik.
Spijtig dat je zoiets niet kunt repeteren.’
Ondertussen
hadden er nogal wat stamgasten een plaatsje aan andere wankele tafeltjes
gevonden. Belloc zag dat ze geamuseerd zaten te kijken naar twee heren, zo op
zicht een zestiger en een veertiger. De oudere droeg een blauw, niet gevoerd
sportjasje met een gouden borduursel op de borstzak waaruit een lefdoekje stak.
Zijn broek met brede pijpen die perfect in de plooi hing over peau de suède
schoenen was duidelijk uit de handen van een meester-kleermaker gekomen. De
jongere droeg een marineblauw jasje van een snit die gewone stervelingen zich
niet kunnen veroorloven. Daaronder een jeans die je niet in een normale
jeanswinkel kunt kopen en witlederen schoenen.
Belloc
vroeg zich af hoe die hier waren verzeild. Hij zag dat ze redelijk opgewonden
tegen elkaar praatten en toen hoorde hij plots dat beide heren Latijnse
spreuken naar elkaars hoofd wierpen.
‘Omnia fert aetas, animum quoque,’ zei de oudere.
‘De
tijd ontneemt ons alles, ook de geest,’ vertaalde Jacob.
‘We
moeten maar eens opstappen,’ zei Belloc die er al een hele tijd over dacht om
bij zijn pensionering aan te vangen met een cursus Latijn. Toen hij jong was
had zijn vader beslist dat Latijns iets was voor paters en pastoors en bijna
heel zijn leven lang was hij daarom boos op zijn vader gebleven.
‘Voluptates
commendat rarior usus,’ zei de jongere.
‘Een
spaarzaam gebruik verhoogt het genot,’ vulde Jacob aan.
‘Ja,
ja, we zijn hier weg,’ zei Belloc, wuifde naar Bill en liep naar buiten,
gevolgd door Jacob.
‘Breng
ik je naar huis?’ vroeg Jacob.
‘Ik
neem de tram wel.’
‘Kijk
eens even op je horloge man, er rijden geen trams meer.’
‘Dan
loop ik wel, even uitwaaien,’ zei Belloc.
‘Jij
je zin, man.’