Oorspronkelijk werd de beruchte
Indianapolis 500-Mile Race gereden op Memorial Day, de dag waarop de VS haar
gesneuvelde soldaten herdenkt. Memorial Day viel tot in 1970 op een vaste dag,
30 mei. Heden ten dage wordt de dag gevierd op de laatste maandag van
mei; de race gaat door op de zondag daarvoor.
De Indy 500 vormt samen met de 24 Uren van Le Mans en de Grand Prix van Monaco de zogenaamde Triple Crown of Motorsport. In de geschiedenis van de autoracerij is er één coureur geweest die de Triple Crown wist te winnen, de zeer grote Graham Hill (1929-1975).
Het is de
oudste autorace ter wereld en hij staat bol van tradities, gaande van het
aantal deelnemers (33, niet meer, niet minder), het loslaten van de ballons en
het zingen van ‘Back home again in Indiana’ tot het champagneloze podium; de
winnaar van de Indy 500 drinkt melk.
Het volledige programma, van proefritten
tot en met de race zelf, wordt in huidige jachtige tijden afgehaspeld in enkele
dagen maar in olden, golden days was de volledige meimaand
Indianapolismaand.
Het begon met twee weken oefenrijden. Dan
een eerste kwalificatieweekend. Opnieuw een week testen, gevolgd door een
tweede kwalificatieweekend en tenslotte een laatste week sleutelen om de auto’s
af te stellen voor een race van 800 kilometer plankgas, wat in de late jaren 60
rond de 250 km/u draaide. (Tegenwoordig is dat ruim over de 300.)
De Brickyard, zoals de Indianapolis
Motor Speedway wordt genoemd, ademde in die jaren een wilde romantiek uit. De
vreemdste auto’s, en coureurs, doken er op in de hoop te kunnen deelnemen aan the
biggest spectacle in racing.
In 1967 bracht Andy Granatelli, van STP-faam, de STP Paxton Turbocar aan de start. De auto werd aangedreven door een helikoptermotor die een fluisterachtig whooosh-geluid produceerde dat vele toeschouwers en deelnemers, gewend aan brullende high performance machines, ongemakkelijk maakte. Andy kon zijn lol niet op. Aan iedereen die het horen wilde, vertelde hij grijnzend dat zijn turbocar “desnoods op Chanel 5 kon rijden”.
De auto was ontworpen door Ken Wallis,
verre familie van Barnes “Dambuster Raid” Wallis, en wat hem vooral tot een
geduchte concurrent maakte was niet zozeer zijn gasturbinemotor als wel het
feit dat hij vierwielaandrijving had. Coureur Parnelli Jones leidde de race met
de vingers in de neus tot op enkele ronden van het einde, toen er een
flutonderdeel van anderhalve dollar de geest gaf.
1968 bracht een nieuwe sensationele
inschrijving door Andy Granatelli, ditmaal versterkt door het grillige genie
Colin Chapman. Opnieuw domineerde een Granatelli-Lotus gasturbine de race, deze
keer met Joe Leonard aan het stuur, opnieuw tot enkele ronden voor de aankomst,
toen er, opnieuw, een onderdeeltje van keskeschiet het liet afweten. Joe
kon er niet mee lachen. Andy en Colin evenmin.
In 1969 waren er meer dan tachtig
inschrijvingen voor 33 beschikbare startplaatsen. De kwalificatie zou
bikkelhard worden.
Kwalificatie voor de Indy 500 was geen
sinecure. Ze gebeurde over vier opeenvolgende ronden van de speedway,
tien mijl of zestien kilometer in totaal. De ingeschreven coureurs gingen één
voor één de baan op, deden twee opwarmronden en gaven dan met een handgebaar te
kennen dat ze hun poging startten. Zonder dat handsignaal was er geen
tijdopname. Als de coureur of zijn teameigenaar niet tevreden waren over de
gerealiseerde snelheid, konden ze de kwalificatiepoging afbreken. De coureur
deed dat opnieuw met een handsignaal, of door gewoon terug te gaan naar de
pits. Als de teamchef de poging wou afbreken, moest hij aan de rand van de
piste een gele vlag zwaaien, waarop de tijdopnemers hun apparatuur stopzetten.
Elke coureur kreeg drie kansen om zich te kwalificeren, maar eens er officieel
een tijd was neergezet, eens er vier ronden waren beëindigd en officieel
getimed, was er geen mogelijkheid meer om die tijd nog te verbeteren.
Dat stelde coureurs en teameigenaars voor
een dilemma. Elk jaar werd er zo een beetje geschat welke snelheid er zou nodig
zijn om gekwalificeerd te raken. In 1969 namen de meesten aan dat je minstens een
snelheid van zowat 163 mijl/u (262 km/u) zou moeten realiseren als je de Indy
500 wilde halen.
De volgorde waarin de gegadigden voor het
eerst de baan zouden opgaan, werd door het lot bepaald. In 1969 was het eerste
nummer dat werd getrokken uit het rode hoedje van koersdirecteur Harlan
Fengler, het nummer 14.
Die volgorde was niet zonder belang. De eigenaardige regelgeving van de Indy 500 stelde dat de coureurs die zich het eerste weekend kwalificeerden, automatisch de eerste plekken in de startorde zouden bezetten, ook als coureurs in het tweede weekend snellere tijden zouden neerzetten. Het is in Indianapolis geen uitzondering dat de snelste qualifier ergens achteraan in het veld start.
Het nummer 14 hoorde in 1969 toe aan
Jigger Sirois. Jigger heette eigenlijk Leon en het autoracen was hem met de
paplepel ingegeven. Zijn pa, Earl “Frenchie” Sirois, was een gerenommeerde
racemechanieker, die onder andere deel had uitgemaakt van de teams van Sam
Hanks (winnaar in 1957) en de sigaarkauwende Jimmy Bryan (winnaar in 1958).
Zijn bijnaam kreeg hij van zijn oudere zus, voor wie Leon’s spraakgebrek een
bron van vermaak was. Van je familie moet je het hebben. Toen hij drie jaar
was, hadden Leon en zijn familie namelijk een tornado over zich heen gekregen -ze
woonden in Shelby, Indiana, aan de rand van de roemruchte Tornado Alley.
Dat had een dusdanige indruk gemaakt op de kleine Leon, dat hij was beginnen
stotteren.
Leon, Jigger, was een behoorlijke coureur,
won races in de opklimklassen en maakte furore in de midgets, kleine, moordend
snelle racewagentjes met open wielen en cockpit, een ideale voorbereiding op
het nec plus ultra, de echte Indycar bakbeesten.
In 1969 werd zijn droom werkelijkheid. Hij
zou proberen zich te kwalificeren voor de enige race die echt telt voor
Amerikaanse open-wielcoureurs, de legendarische, fabuleuze Indy 500. Uiteraard
was zijn auto niet de absolute top. Een rookie kreeg zelden een topauto
onder zijn gat. Jigger reed voor het kleine team van Myron Caves, een
autodealer uit Fresno, Californië. Zijn auto was een Gerhardt met een
turbocharged Offenhauser achterin. (1969 was het eerste jaar waarin geen
enkele auto met de motor voorin er nog in slaagde zich te kwalificeren voor de
race.)
Het eerste kwalificatieweekend begon op
zaterdag 17 mei. En het regende. Indycars rijden niet als het regent, te
gevaarlijk. Het wachten begon. Rond een uur of vier in de namiddag was de piste
min of meer droog en Jigger begon aan zijn opwarmronden. Het voelde allemaal
redelijk goed aan, hij gaf met het afgesproken handgebaar te kennen dat zijn
kwalificatiepoging officieel begon, de klok begon te lopen en daar ging Jigger.
In zijn drie eerste ronden haalde hij net geen 162 mijl per uur. Jigger dacht
al dat hij zich gekwalificeerd had, tot hij bij het uitkomen van de vierde
bocht in zijn vierde en laatste ronde, Myron Caves met de gele vlag zag
zwaaien. Jigger was er niet blij mee. Hij wist dat hij geen beroerde tijd had
neergezet, zeker niet op de piste zoals ze er bijlag, en bovendien zouden er
door de regen heel wat minder coureurs kunnen uitrijden in het eerste weekend
dan anders het geval zou geweest zijn.
Toen de tweede coureur, Arnie Knepper,
zich aanbood aan de start, begon het opnieuw te regenen. Tot en met zondag. Het
eerste kwalificatieweekend was compleet uitgerekend.
En in het tweede weekend, toen de baan er
poederdroog bijlag, slaagde Jigger er niet in zich te kwalificeren. Chris
Economaki, de New Yorkse journalist, veruit de beste colour commentator
die de autoracerij ooit gekend heeft, duwde Jigger een microfoon onder zijn
neus toen die, diep teleurgesteld, uit zijn auto klom. “Je beseft toch”, zei
Economaki, “dat als ze je vorig weekend niet hadden afgevlagd, dat jullie dan
nu op de pole hadden gestaan?”
Jigger, met vermoeide, droeve ogen achter
zijn brilleglazen, keek Economaki verrast aan. Hij leek pas nu goed te beseffen
wat er gebeurd was. “Would we right now?” mompelde hij. En vervolgens, met een
flauwe grijns, “I’m gonna go get a gun”.
Jigger reed nooit nog voor Myron Caves en
zou er nooit in slagen om zich te kwalificeren voor The Big Race. Toch maakt
hij stevig deel uit van de levende legende die de Indy 500 is. Er werd een (min
of meer) jaarlijkse Award in het leven geroepen, de Jigger Award, die, volgens
niet al te duidelijke of consequente regels, wordt uitgereikt aan een
uitzonderlijke pechvogel. Jigger zelf kreeg in 1969 de allereerste Jigger
Award. Er staan grote namen op de “erelijst”: Johnny Rutherford, Emerson
Fittipaldi, Roger Penske… In 2018 ging de Award naar James Hinchcliffe. Ik weet
niet of hij sindsdien nog is uitgereikt.
Jigger, 87 jaar oud ondertussen, promoot
het bewustzijn rond en de behandeling van stotteren bij jongeren. Met zijn
vrouw Juanita stond hij aan de wieg van het St. Vincent Rehabilitation
Therapies Fluency Program, dat vijf vestigingen heeft in Indianapolis en
omgeving en zich vooral richt op kansarme kinderen. Hij krijgt daarbij de
enthousiaste steun van de hele Indycargemeenschap.
.jpg)
.jpg)

.jpg)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten