Bedenkingen, mijmeringen, oprispingen.

donderdag 13 juli 2017

EEN MELANCHOLISCHE, KAMELEONTISCHE, ERUDIETE LITERAIRE CONSIGLIERE (DEEL 4)


voor Karin, Cecile en Lucienne


Eveneens in 1984 richt Henri samen met Luc Boudens (die het zowel in de literatuur als in de beeldende kunsten probeert en samen met Tom Lanoye en Herman Brusselmans tot de ‘luidruchtige’ Belgen wordt gerekend) het Centrum voor Documentatie & Reëvaluatie op, dat enkele jaren na de oprichting een blog gebruikt om dieper in te gaan op de Vlaamse (en Franstalige) literatuur uit het interbellum en ook de beeldende kunst komt aan bod. Die blog, die eerder als grap was begonnen, zal vele jaren een leidraad zijn voor al wat op cultureel gebied geschiedde in Vlaanderen (soms Nederland). Aan het eind werd de blog vervangen door maandelijkse afleveringen, Mededelingen, die je tegen betaling kon krijgen op papier of via e-mail. (De laatste drie Mededelingen zitten blijkbaar nog in de computer van Henri.) Op de blog
kwamen dan weer andere stemmen aan bod, zoals de schitterende artikelen over theater van Guido Lauwaert en af en toe eens een bijtend stuk over dingen die Guido niet lagen. Lukas De Vos, voormalig ratelaar bij de VRT werelduitzendingen ‒ die hem inderdaad over zowat de hele wereld brachten, later bij de nieuwsdienst van radio één, pleegde lange stukken over van alles en nog wat, maar ook over de detectiveroman en thriller, die ook Henri als voorzitter van de jury van De Diamanten Kogel na aan het hart lagen.[1]

In dat kader hebben we de diverse bijdragen over
Mieke De Loof, sociologe, filosofe en tegelijk schrijfster van schitterende historische thrillers Mieke De Loof (winnares van de Diamanten Kogel 2010 voor Wrede Schoonheid) en een enkele over haar levensgezel René Broens, die alles weet over de heilige Reynaert de Vos, maar die volgens mij voorlopig enkel maar de strip(?) Reynaert De Vos (2010) in samenwerking met Marc Legendre (Vlaams striptekenaar en scenarioschrijver) heeft gepubliceerd.
Literatuurkenner Bob Lebacq (9/10/1922-20/4/2013) was voorzitter van de Raad van Bestuur van de vzw De Diamanten Kogel. Lebacq had een verleden met drie generaties Jespers’en. Hij was gevolmachtigd en buitengewoon ambassadeur in de Filippijnen (1969-1973), Indonesië (1973-1976), Hanoi (1977-1979) en ten slotte in Israël. Bij de uitreiking van de Diamanten Kogel in 2013 zei ondervoorzitter Wim Van Rooy over Lebacq: “Bob Lebacq leefde niet zoals de grote cynicus Diogenes in een ton, zoekend naar de mens (hij zou die vergelijking denk ik graag gehoord hebben), maar hij bevond zich onder ons en gaf DDK de zweepslagen die het nodig had om uit te groeien tot wat hij nu is.”
Enkele schaarse bijdragen van Wim Van Rooy zijn er ook, Wim werd door Henri meermaals ‘mijn geleerde vriend’ genoemd. Wim is licentiaat Letteren en Wijsbegeerte in de Germaanse Filologie en licentiaat in de Zweedse letterkunde. Ook specialiseerde hij zich in de godsdienstwetenschap. Hij volgde colleges bij onder andere Etienne Vermeersch, Leo Apostel en Jaap Kruithof. Van Rooy is, naar eigen zeggen, "als velen van zijn generatie begonnen als marxist," in de geest van mei '68. Gedurende vele jaren was hij directeur van de orthodox-zionistische school aan de Lamorinièrestraat in Antwerpen. Vanaf 2008 verschenen van hem erg kritische essays over de islam, volgens Wim e.v.a. een politieke religie.
De bijdragen van Luc Pay (die het verzameld proza en het Dagboek van Gaston Burssens bij elkaar bracht) waren diepgaande stukken waar men soms wel eens een woordenboek voor moest gebruiken als je geen hoger onderwijs had genoten, datzelfde geldt ook voor die van Van Rooy.






De heren die het meest aan bod kwamen in artikelen, waren Yannick Dangre (een schoone jongen die in 2011 de debuutprijs kreeg voor zijn roman Vulkaanvrucht) vanaf het begin van zijn carrière, Luc Boudens (een schoone jongen) en Patrick Conrad p.p. (idem) die in 1974 de gedichtencyclus schreef: ‘Nu mijn vrienden vrouwen werden’ en die het tot een gevierd thrillerauteur bracht, wat hem De Diamanten Kogel opleverde voor Starr (2007) en de Hercule Poirot prijs voor Moço (2015). Zijn eersteling werd uitgegeven bij uitgeverij Monas, uitgeverijtje dat in handen was van Henri-Floris Jespers; de enkele boeken en boekjes die door Monas werden uitgeven zijn erg gezocht door de enkele nog resterende verzamelaars, een uitstervend ras inderdaad, want wie verzamelt er nog? Hendrik Carette publiceerde regelmatig een gedicht, Jan Scheirs maakte vooral de tekeningen die iedere aflevering sierden en lange tijd maakte hij ook de portretten van de auteurs die op de shortlist (5 titels) van De Diamanten Kogel terechtkwamen, en er was de dichter Frank de Vos wiens stokpaardje de Katharen zijn en die het de laatste tijd voor bekeken hield; Frank is eveneens de bezieler van het Antwerpse culturele café Den Hopsack en wat betreft poëzie, hij was het die onze dochter Soetkin een kans tot optreden gaf met haar Engelstalige poëzie-spoken word. Daarnaast zijn er ook Bert Bevers, een dichter uit het zuiden van Nederland, dubbeltalent Lucienne Stassaert die schrijft en schildert, en beeldhouwer en maker van picturale gedichten Renaat Ramon. De foto’s waren meestal van grafisch kunstenaar Frank-Ivo van Damme en zijn echtgenote Joke van den Brandt, die de kalligrafie beoefent. Hoe Henri plotseling wat had met schrijver-dichter Frans Depeuter (die wel goede bijdragen leverde), nadat hij in het verleden de hele Heibel schrijversgroep (Robin Hannelore, Walter van den Broeck, Willy De Bleser) naar de verdoemenis had geschreven, is mij een raadsel, en hoe Henri in 2011 voorzitter werd van de Herman J. Claeys prijs ‘Ni Dieu, ni Maître – Noch God, noch Gebod’ (tekst die je ook onder de briefwisseling van Guido Lauwaert kunt vinden) is een nog groter raadsel; het samengaan van een estheet en een dode anarchist, het moet kunnen. Claeys schreef poëzie, romans, theater en was tevens taaldeskundige op het gebied van de Nederlandse variatielinguïstiek, en in die functie heeft hij een tijdje de teksten van Henri voor CDR nagekeken. Eigenlijk een man naar mijn hart, die protesteerde tegen protestdichters, schreef wat hij wilde schrijven, de vrijheid van het woord hoog in het vaandel voerde.
 Ik moet ook nog Kris Kenis vermelden, de techneut die Henri hielp bij computerproblemen en hem ook dikwijls hielp bij zijn opzoekingen en deel uitmaakte van de jury van De Diamanten Kogel, maar waarom deze Kris nu het doodsprentje sierde met een tekst van zichzelf, begrijp ik niet; Henri had genoeg passende teksten op voorraad. Bijvoorbeeld:

“Soms is eenzaamheid een noodzakelijk antidotum tegen het rumoer en de razernij der dagen, een welkome vluchtheuvel in het immobiel middelpunt van de windhoos waardoor het leven geteisterd wordt. Je voelt je dan plots thuis, in de afgeschermde ruimte waarin je nog slechts te kampen hebt met de vertrouwde demonen die je bewonen, in alleenspraak ook met de doden die je een leven lang steeds talrijker begeleiden ‒ tot je zelf aan de laatste acrobatie toe bent, de ultieme overstijging van (of onderwerping aan?) de wetten van de zwaartekracht.” (Uit: Henri-Floris Jespers p.p. Tussen zweefvlucht & zwaartekracht, Vondel, 1982)

De waarheid ligt erg dichtbij, want Henri zag zijn eigen aftakeling met lede ogen aan en verborg zich voor de wereld. Slechts enkelen hadden nog toegang tot zijn huis.

(Vijfde en laatste deel volgt morgen)


[1] Jos van Cann & Henri-Floris Jepers (red): Thriller versus roman, Garant, Antwerpen-Apeldoorn, 2008.
Jos van Cann & Henri-Floris Jespers (red): Ruw & hard, geslepen & begeerlijk, De diamanten kogel, Antwerpen, 2012 (Met tien schrijversportretten van Jan Scheirs.)


Geen opmerkingen:

Een reactie posten