In Indianapolis, meer
bepaald in het voorstadje Speedway, is meimaand racemaand. In (g)olden days
ging de volledige maand mei op aan voorbereidingen, test- en kwalificatieritten
voor de beroemde en beruchte Indianapolis 500-Mile Race, voor het gemak
de ‘Indy 500’ genoemd. De race ging traditiegetrouw door op Memorial Day, de dag waarop de Verenigde Staten eer betuigen aan hun
soldaten, past and present, alive and fallen. Tot 1970 werd Memorial Day
op een vaste dag, 30 mei, gevierd. Tegenwoordig valt hij op de laatste maandag
van mei en de Indy 500 gaat door op de zondag daarvoor.
In april van 2011, tien
jaar geleden, zat Daniel Clive Wheldon, geboren in Emberton in Engeland, in
zijn 33ste levensjaar, winnaar van de Indy 500 van 2005, met een
serieus probleem. Op het einde van het seizoen 2010 had zijn team, Panther
Racing, zijn contract opgezegd en werd hij aan het stuur van de auto met het
nummer 4 vervangen door de rookie John Randall Hildebrand jr. die door iedereen
“J.R.” werd genoemd.
Op het moment dat Dan
on-ceremonieel aan de deur werd gezet, waren alle plaatsen voor 2011 bij de
teams uiteraard al bezet en zat Dan, een van de beste Indycoureurs van dat
moment (15 overwinningen; kampioen in 2005), opeens zonder team en zonder racewagen.
Hij versloeg een aantal races als mede-commentator voor wat toen Versus heette
en nu NBC is, en deed dat uitstekend, heel wat beter dan de gebruikelijke
commentatoren eigenlijk; hij lulde niet uit z’n nek. Maar het maakte hem niet
gelukkig. Hij wou racen!
In het kampioenschap was
er voor Wheldon in 2011 dan wel geen plaats maar er was nog altijd de Indy 500.
Daar komen er traditiegetrouw 33 wagens aan de start (niet meer, niet minder)
maar drieëndertig is nog altijd de helft meer dan in de meeste andere races.
Voor de Indy zetten sommige teams een extra auto in, daar wagen af en toe zelfs
kleine teams hun eenmalige kans… Daar ging Dan op zoek en daar vond hij een
stuur bij het eenmansteam van zijn vriend en vroegere ploegmaat Bryan Herta.
Hij kreeg het racenummer 98, het nummer waarmee de legendarische Parnelli Jones
had gewonnen in 1963. Een goed teken, vond Dan, die altijd de zon achter de
wolken zag.
“Danny Boy” was een
pallieter, een levensgenieter die buiten de cockpit geen vijanden had. Binnen
de cockpit, dat was een ander paar mouwen. Op de piste gaf Wheldon geen
cadeautjes. Tijdens de Milwaukee Mile van 2007 wrong hij zich binnendoor
voorbij Danica Patrick. Er was wat wheel banging en Danica, die benevens
heel veel talent ook een heel kort lontje had, vond het nodig om Dan na de
aankomst de les te lezen, hem met haar wijsvinger in de borst porrend. Dan, een
gentleman in hart en nieren, wist niet hoe hij het had en onderging het
allemaal met een verbijsterde, wat hulpeloze blik in zijn ogen. Tot groot
jolijt van zijn vakbroeders, die het ongemeen lollig vonden dat loudmouth
Wheldon voor één keer eens met zijn mond vol tanden stond. Het incident haalde
meer pers dan de overwinning van Tony Kanaan. Eigenlijk mocht Dan
waarschijnlijk nog van geluk spreken dat hij geen oorvijg kreeg van Danica,
zoals Jaques Lazier in 2005 op de California Speedway. (Neen, ik ben de c in
Jaques niet vergeten; Jaques schrijft zijn naam zonder c.)
In 2011 arriveerde Dan zo
blij als een kind op de Indianapolis Motor Speedway. Hij kwalificeerde zich
zesde, wat hem aan de buitenkant van de tweede rij aan de start bracht. (De
startopstelling voor de Indy 500 is elf rijen van drie.) De pace car
werd op deze historische honderdste verjaardag – omwille van oorlogsjaren
echter slechts de 95ste keer dat de race ook effectief verreden werd
– bestuurd door niemand minder dan A.J. Foyt, de Texaan die als eerste de Indy
500 vier keer wist te winnen.
Danny Boy reed een slimme
race en wist zich vooraan te handhaven. Bij het ingaan van de laatste ronde
reed hij zowaar op de tweede plaats, een sensationele prestatie voor het
kleine, relatief “arme” team van Bryan Herta. Vòòr hem, aan de leiding van de
race, reed… J.R. Hildebrand, in het nummer 4 van Panther Racing Team, de
ex-werkgever van Dan Wheldon. In de aanzet tot de laatste bocht van de laatste
ronde, week Hildebrand uit voor de gedubbelde Charlie Kimball. Hij week te ver
uit, kwam terecht op de knikkers -bolletjes rubber, afkomstig van de
verslijtende banden, die de piste veranderen in een schaatsbaan – en belandde
tegen de muur. Met de rechterwielen afgerukt en in een sensationele
vonkenregen, schoof J.R. langs de muur verder, richting de finish…
Commentatoren werden wild! Zou voor het eerst iemand de 500 winnen op twee
wielen?! Neen. In de laatste honderd meter werd Hildebrand’s nummer 4
voorbijgestoken door het nummer 98. Dan Wheldon had zijn tweede Indy 500
gewonnen, op het allerlaatste moment de overwinning ontfutselend van het al
feestvierend Panther Racing Team. Veel zoeter dan dat kan wraak niet worden.
Wheldon ging gelukkig als een kind dat net een ijsje kreeg op de start-finish
lijn af, naast de yard of bricks, het laatste overblijfsel van de
originele wegbedekking van de Speedway, de wegbedekking die de blijvende en
beklijvende bijnaam The Brickyard had opgeleverd.
Dan won 2.567.255 dollar
in cash en allerhande natura… en zat opnieuw zonder auto. Pas in oktober kreeg
hij weer een kans, toen hij bij Sam Schmidt Motorsports Alex Tagliani kon
vervangen in de voorlaatste race van het seizoen, de Kentucky 300. Hij eindigde
veertiende.
Restte de laatste race
van het seizoen, die ook zou beslissen over het kampioenschap, waar de Schot
Dario Franchitti leidde voor de Aussie Will Power. (De man heet ècht zo.
Sommige ouders denken niet ver genoeg na als ze hun kind met een naam
opzadelen.)
De locatie voor de race
was de Las Vegas Motor Speedway, een arena van nauwelijks anderhalve mijl lang,
met een banking tot 20 graden. Dat kan niet veel lijken, 20 graden, maar
het betekent dat, met een baanbreedte van 12 meter (twee rijstroken op de
gemiddelde snelweg) de buitenkant van een bocht vijf meter hoger ligt dan de
binnenkant. Vijf meter is bijna twee verdiepingen. Met een dergelijke banking
kan je door de bochten sjezen zonder te remmen, zelfs zonder gas te minderen.
Zeker met de toenmalige
racewagens, waarvan het vermogen beperkt werd door restrictorplaten (zogezegd
om de veiligheid te verhogen…) was racen op Las Vegas Speedway eigenlijk veel
te gemakkelijk. Volgens coureur Paul Tracy kon “om het even welke
taxichauffeur” met een indycar plankgas rondjes draaien op Las Vegas Motor
Speedway, makkelijk zat! Tenminste, zolang hij alleen op de piste was… De
problemen begonnen zich pas te manifesteren als je als coureur “in het verkeer”
terechtkwam, en met de begrensde motoren en een paar ton down force op
elke auto, zat je voortdurend vast in het verkeer.... Het logische
gevolg van dat alles, op snelle ovalen met hoge bochten, was het gevreesde pack
racen. Dat was sensationeel om zien maar het was ook aarts gevaarlijk,
want er was geen vermogen voorhanden om de kinderen van de mannen te
scheiden.
Stel je een paar dozijn
racewagens voor die, met drie of vier naast mekaar, neus tegen staart, wiel
tegen wiel, aan meer dan 300 km/u over een ovaal van anderhalve mijl (2,4 km)
denderen, en dat gedurende een paar uur…
Als klap op de vuurpijl
had de CEO van de Indycar World Series, de niet al te snuggere Randy Bernard
(hij was naar Indycar gekomen vanuit de rodeowereld…), een konijn uit zijn hoed
getoverd om u tegen te zeggen. Om de race wat pikanter te maken loofde hij een
premie uit van 5 miljoen dollar aan elke coureur die van buiten het Indycar
kampioenschap kwam en die de race kon winnen. Dan moest er wel iemand van
buiten het kampioenschap gevonden worden die de uitdaging aannam,
natuurlijk…
Uiteindelijk bracht
Bernards lumineuze idee niet minder dan 34 auto’s aan de start, één meer dan in
Indianapolis, dat een mijl langer is en zo goed als geen banking heeft…
Het is nooit een goed
idee om je baas in het openbaar een idioot te noemen, maar zelfs zeer
diplomatische coureurs als Dario Franchitti en Scott Dixon “uitten hun
bezorgdheid” over het aantal deelnemers, niet allemaal even ervaren om het zachtjes
uit te drukken, op dit ijselijk snelle ovaaltje. Rusty Wallace, de
onverschrokken stockcarkampioen, die een persoonlijke uitnodiging had gekregen
van Randy Bernard om de handschoen op te nemen, bedankte er feestelijk voor.
“Nog niet voor het dubbele”, zei Rusty met een brede grijns, live op tv.
Maar Rusty was dan ook
niet werkloos, zoals Dan Wheldon. Vermits Dan geen vaste deelnemer aan het
kampioenschap was geweest, kwam hij volgens Bernard in aanmerking voor de 5
miljoen dollar. Sam Schmidt voorzag hem van een redelijk competitieve auto en
hij startte als laatste in het veld, de gevaarlijkste plek omdat je, wat er ook
gebeurt in de eerste ronden, altijd in de klappen zult delen.
De begrensde motoren, de
piste, het aantal deelnemers, de ongelooflijke snelheden op de kleine bull
ring die Las Vegas was (het ronde record was een hallucinante 364 km/u…) en
niet te vergeten de premie van 5 miljoen, creëerden The Perfect Storm.
https://www.youtube.com/watch?v=hFpss_b3t_o
In de elfde ronde – Dan was al opgeschoven van de 34ste
naar de 24ste plaats – maakten Wade Cunningham en James Hinchcliffe
contact met hun banden. In andere omstandigheden was het een incident van niks
geweest. Hier, in het midden van een meute racewagens aan 330 km/u, was het
catastrofaal. Op een paar seconden tijd werd een dozijn Indycars tot schroot
herleid, vijftien auto’s waren in de crash betrokken. De auto van Dan Wheldon
werd in de vanghekkens boven de muur gekatapulteerd, helaas met de cockpit, en
Dan's hoofd, naar voor. Het mag een wonder heten dat hij de enige was die die
dag om het leven kwam.
De race werd stilgelegd
en later, toen het overlijden van Dan bekend raakte, afgelast. Niemand was er
rouwig om. Dario Franchitti werd voor de derde keer op rij, vierde keer in
totaal, Indycar kampioen.
Danica Patrick verhuisde
naar NASCAR, dat als marginaal veiliger wordt beschouwd omdat de banden bedekt
zijn en omdat je in een enorme gesloten kooi zit. In 2013 veroverde ze de pole
position in de Daytona 500 maar verder was haar NASCAR-carrière heel wat minder
succesrijk dan haar Indycar-carrière.
Randy Bernard werd op het
einde van het seizoen 2012 wandelen gestuurd.
In 2015
kwam Justin Wilson, zestiende in de Indy 500 van 2011, om het leven op Pocono
Raceway nadat hij op het hoofd werd geraakt door de neuskegel van de gecrashte
auto van Sage Karam. De roep naar beter beschermde cockpits werd
luider.
Uiteindelijk duurde het
nog tot 2020 alvorens de Aero-screens werden geïntroduceerd in Indycar, twee
jaar na de Halo in de Formule 1 en andere open wheel categorieën in
Europa. Een Aeroscreen (of Halo) had zeer wel mogelijk de levens van Wheldon en
Wilson gered.
Maar zoals dat vroeger op
de inkomtickets stond op het circuit van Zolder: "Autoracen is gevaarlijk.
Wees voorzichtig en houd afstand".
TOEMAATJE
Andretti Autosport heeft op 24 april 2021 de uitbreiding aangekondigd
van de ontwikkelingsinspanningen van het team met de toevoeging van de broers
Sebastian en Oliver Wheldon - zonen van wijlen IndyCar-ster Dan Wheldon - als
junior coureurs.
"Dan was familie voor ons en we hadden samen veel succes op de
baan, we zien veel Dan in zowel Sebastian als Oliver en zijn erg trots om ze
officieel te verwelkomen in onze racefamilie", aldus Michael Andretti, CEO
van Andretti Autosport.
Geen wonder dat ze de tag Double
Trouble opgespeld krijgen... Dan zal
hierboven wel zitten lachen.