12 mei 1974. Convoy, de heerlijke film met Kris
Kristofferson en Ali MacGraw lag nog vier jaar in de toekomst maar wij vormden
alvast ons eigen convoy -zes Mini Coopers- en togen naar de Grote Prijs
van België, die voor de tweede en gelukkig laatste keer werd gehouden op het
grensverleggend saaie circuit van Nijvel. (Na zijn korte carrière als circuit
national werd Nivelles-Baulers een industriepark. Het kan u een idee geven
van de volslagen nietszeggendheid van het baantje.)
1974 was het
jaar dat Richard Nixon aftrad in het kielzog van het Watergateschandaal. In
Israel werd Golda Meir, die politiek verantwoordelijk werd gehouden voor de
hoge verliezen tijdens de Yom Kippur oorlog van 1973, opgevolgd door Yitzhak
Rabin, die twintig jaar later zou vermoord worden.
In Europa
bezetten Turkse troepen het noorden van Cyprus, een bezetting die tot vandaag
voortduurt.
In
West-Duitsland moest kanselier Willy Brandt aftreden na het spionageschandaal
rond zijn secretaris Günter Guillaume.
In de Formule
1 kwam er geen wereldkampioen aan de start. Eind 1973 had Jackie Stewart er een
punt achter gezet, met 27 overwinningen (op amper 99 starts) en een derde
wereldtitel op zak.
Jacky Ickx
zat in zijn eerste jaar bij Lotus, of John Player Special zoals de auto’s
officieel heetten. Hij scoorde een magistrale zege in de Race of Champions,
waar hij tijdens een apocalyptische regenbui Niki Lauda was voorbijgegaan aan
de buitenkant van Paddock Hill Bend.
Mike “The
Bike” Hailwood zou in 1974 op de Nürburgring een zwaar ongeval krijgen dat een
einde maakte aan zijn carrière als racer.
Het eens zo trotse,
oer-Britse BRM was nu in Franse Motul-handen en bracht drie Franse coureurs aan
de start: Jean-Pierre Beltoise, Henri “Ming the Merciless” Pescarolo en
François Migault.
De jaren 70
waren een gouden tijd voor de Formule 1. Er waren nog steeds een paar
traditionele allesbouwers aanwezig in het peloton – Ferrari en BRM – maar alle
anderen reden met dezelfde Ford Cosworth DFV, een competitieve motor die vrij
verkrijgbaar was voor iedereen die ‘m wou (en kon) kopen.
Het gevolg
daarvan was dat er velen de stap naar de F1 zetten. Zelfs Mikke Van Hool, van
Koningshooiktse autobusfaam, overwoog het avontuur. Volgens de legende staat er
nog ergens een Van Hool Formule 1 prototype te roesten. Volgens Mikke zelf is
het echter “slechts” een Formule 2.
Nooit eerder,
en nooit meer sinds, was het Formule 1 deelnemersveld meer diverse en
competitiever dan in de jaren 70.
In 1974 waren
er 32 deelnemers ingeschreven voor de Grote Prijs van België waarvan er 31 aan
de start verschenen; de Fin Leo Kinnunen was er niet in geslaagd zijn
Surtees-Cosworth te kwalificeren. Op de 22ste startplaats stond één
van vele ondertussen vergeten F1-coureurs, de enige Liechtensteiner die ooit in
de Formule 1 heeft gezeten, de pittoreske Rikky von Opel.
Frederick
“Rikky” von Opel was de kleinzoon van Adam Opel, die een “von” aan zijn naam
mocht toevoegen nadat hij het succesrijke automerk had opgericht. Rikky’s vader
was Raketen-Fritz, die in de jaren 20 roem vergaarde door die nieuwe,
wispelturige, exotische energiebron, de raket, vast te maken aan auto’s,
vliegtuigen en motoren. Fritz wist zelfs enkele officiële snelheidsrecords te
vestigen. In april 1940, een paar weken voor het begin van de Blitzkrieg – de
Opelfabrieken waren toen al lang eigendom geworden van General Motors –
vluchtte hij naar de Verenigde Staten.
Daar trouwde
hij met de veertien jaar jongere Colombiaanse Emita Herrán Olózaga. Ze kregen
twee kinderen, Marie Christine, “Putzi” voor de vrienden, en Rikky. Putzi werd
in de jaren zeventig veroordeeld wegens drugssmokkel.
Rikky,
geboren in 1947, erfde de roekeloosheid van Raketen-Fritz en de flamboyance
van zijn Zuid-Amerikaanse moeder. Hij groeide op in Zwitserland, bracht zijn
adolescentie door met zijn neef Gunter Sachs – later meneer Brigitte Bardot –
en zijn vriend Alexander Socrates Onassis, zoon van Ari, later meneer
Jacqueline Bouvier-Kennedy.
Rikky bewoog zich met gemak en gratie in die kringen. Hij was een knappe man – in die tijd mocht het woord “man” nog gebruikt worden – en dus hing er altijd wel een knappe vrouw aan zijn arm, zeker toen hij in de Formule 1 was terechtgekomen.
Berenson bijvoorbeeld, aan de vooravond van wereldroem voor
haar rol in Barry Lyndon. Of anders Bianca Jagger.
Het was
wellicht geen wonder dat Rikky in de autoracerij terechtkwam. Hij debuteerde
onder het pseudoniem Antonio Bronco omdat hij zichzelf en de familienaam niet
belachelijk wilde maken. Maar er volgden al snel goede resultaten en dus werd
Bronco afgevoerd en werd Frederick weer Rikky. In 1972 won hij het Britse
Formule 3 kampioenschap met een Ensign. Illustere namen die hem op de erelijst
waren voorgegaan waren onder meer Emerson Fittipaldi, Jackie Stewart en Jim
Clark. Enig optimisme was dus gerechtvaardigd.
Rikky, die
bepaald niet onbemiddeld was, overtuigde Ensign-baas Mo Nunn ervan dat het tijd
werd om naar de Formule 1 over te stappen. Mo wou niets liever en dus zag de
Ensign N173 het levenslicht. N voor Nunn, 1 voor Formule 1, 73 voor 1973. De
auto werd aangedreven door een Cosworth DFV – wat anders? – en maakte zijn
debuut halverwege het seizoen 1973, in de Franse Grote Prijs op het ultrasnelle
circuit van Paul Ricard. Huschke von Hanstein, een Duitse oud-coureur die in
dienst was van Porsche en in de jaren 30 fier rondreed met de SS-runen op zijn
race-overall, wedde met Rikky dat hij zijn Ensign niet zou gekwalificeerd
krijgen. Rikky, die wel wist met wie hij te maken had, aanvaardde de
weddenschap, doch enkel op voorwaarde dat de inzet vijfduizend Duitse Mark zou
zijn, in die tijd een klein fortuin. Von Hanstein werd een beetje bleek om de
neus maar kon, te midden van een stel getuigen, nog moeilijk terugkrabbelen.
Rikki
kwalificeerde zich vijfentwintigste. En laatste, maar dat laatste had geen
belang. Hanstein verloor zijn weddenschap.
Al snel bleek
echter dat de Ensign een strijkijzer was en het model N174 van 1974 was al geen
haar beter. Von Opel kreeg de kans om voor het prestigieuze Brabham team te
rijden en greep die kans met beide handen. In Nijvel 1974, pas zijn tweede race
voor het team en de eerste met de nieuwe BT44, kwalificeerde hij zich, zoals
gezegd, 22ste op 32. Hij reed de race met een helm die hij van Mike
Hailwood had geleend. Zijn eigen helm was verdwenen op de bagageband van
Zaventem.
Rikky was
geen wereldkampioenmateriaal maar hij was een degelijke coureur. Halverwege de
race had hij zich opgewerkt tot de veertiende plaats toen zijn auto de geest
gaf.
Hij reed
daarna nog een half dozijn races en opeens verdween hij spoorloos van het
toneel. Van alle tonelen. Het blijft allemaal zeer mistig wat er toen gebeurd
is, zelfs nu, bijna een halve eeuw later…
Naar “men”
zegt/denkt/vermoedt, heeft Rikky zijn von Opel belangen nog een tijdje beheerd
vanuit New York en Panama, sommigen denken vanuit Nepal. Uit Ensign-baas Mo
Nunn’s laatste contact met Rikky (ergens in de tweede helft van de jaren 70)
bleek dat hij van plan was zijn fortuin weg te schenken en een Boeddhistische
monnik te worden. Algemeen wordt nu aangenomen dat von Opel’s levenspad hem
naar een vredig bestaan heeft geleid in een klooster in Chang Mai, in
Thailand.
Als hij nog
in leven is, en er is geen enkele reden om te denken dat hij dat niet meer is,
is hij nu 73.




Geen opmerkingen:
Een reactie posten