Bedenkingen, mijmeringen, oprispingen.

woensdag 14 april 2021

LEKKER NOSTALGISCH

 











12 mei 1974. Convoy, de heerlijke film met Kris Kristofferson en Ali MacGraw lag nog vier jaar in de toekomst maar wij vormden alvast ons eigen convoy -zes Mini Coopers- en togen naar de Grote Prijs van België, die voor de tweede en gelukkig laatste keer werd gehouden op het grensverleggend saaie circuit van Nijvel. (Na zijn korte carrière als circuit national werd Nivelles-Baulers een industriepark. Het kan u een idee geven van de volslagen nietszeggendheid van het baantje.) 

1974 was het jaar dat Richard Nixon aftrad in het kielzog van het Watergateschandaal. In Israel werd Golda Meir, die politiek verantwoordelijk werd gehouden voor de hoge verliezen tijdens de Yom Kippur oorlog van 1973, opgevolgd door Yitzhak Rabin, die twintig jaar later zou vermoord worden. 

In Europa bezetten Turkse troepen het noorden van Cyprus, een bezetting die tot vandaag voortduurt. 

In West-Duitsland moest kanselier Willy Brandt aftreden na het spionageschandaal rond zijn secretaris Günter Guillaume. 

In de Formule 1 kwam er geen wereldkampioen aan de start. Eind 1973 had Jackie Stewart er een punt achter gezet, met 27 overwinningen (op amper 99 starts) en een derde wereldtitel op zak. 

Jacky Ickx zat in zijn eerste jaar bij Lotus, of John Player Special zoals de auto’s officieel heetten. Hij scoorde een magistrale zege in de Race of Champions, waar hij tijdens een apocalyptische regenbui Niki Lauda was voorbijgegaan aan de buitenkant van Paddock Hill Bend. 

Mike “The Bike” Hailwood zou in 1974 op de Nürburgring een zwaar ongeval krijgen dat een einde maakte aan zijn carrière als racer.  

Het eens zo trotse, oer-Britse BRM was nu in Franse Motul-handen en bracht drie Franse coureurs aan de start: Jean-Pierre Beltoise, Henri “Ming the Merciless” Pescarolo en François Migault. 

De jaren 70 waren een gouden tijd voor de Formule 1. Er waren nog steeds een paar traditionele allesbouwers aanwezig in het peloton – Ferrari en BRM – maar alle anderen reden met dezelfde Ford Cosworth DFV, een competitieve motor die vrij verkrijgbaar was voor iedereen die ‘m wou (en kon) kopen. 

Het gevolg daarvan was dat er velen de stap naar de F1 zetten. Zelfs Mikke Van Hool, van Koningshooiktse autobusfaam, overwoog het avontuur. Volgens de legende staat er nog ergens een Van Hool Formule 1 prototype te roesten. Volgens Mikke zelf is het echter “slechts” een Formule 2.  

Nooit eerder, en nooit meer sinds, was het Formule 1 deelnemersveld meer diverse en competitiever dan in de jaren 70. 

In 1974 waren er 32 deelnemers ingeschreven voor de Grote Prijs van België waarvan er 31 aan de start verschenen; de Fin Leo Kinnunen was er niet in geslaagd zijn Surtees-Cosworth te kwalificeren. Op de 22ste startplaats stond één van vele ondertussen vergeten F1-coureurs, de enige Liechtensteiner die ooit in de Formule 1 heeft gezeten, de pittoreske Rikky von Opel. 


Rikky's debuut in F1







Frederick “Rikky” von Opel was de kleinzoon van Adam Opel, die een “von” aan zijn naam mocht toevoegen nadat hij het succesrijke automerk had opgericht. Rikky’s vader was Raketen-Fritz, die in de jaren 20 roem vergaarde door die nieuwe, wispelturige, exotische energiebron, de raket, vast te maken aan auto’s, vliegtuigen en motoren. Fritz wist zelfs enkele officiële snelheidsrecords te vestigen. In april 1940, een paar weken voor het begin van de Blitzkrieg – de Opelfabrieken waren toen al lang eigendom geworden van General Motors – vluchtte hij naar de Verenigde Staten.  

Daar trouwde hij met de veertien jaar jongere Colombiaanse Emita Herrán Olózaga. Ze kregen twee kinderen, Marie Christine, “Putzi” voor de vrienden, en Rikky. Putzi werd in de jaren zeventig veroordeeld wegens drugssmokkel. 

Rikky, geboren in 1947, erfde de roekeloosheid van Raketen-Fritz en de flamboyance van zijn Zuid-Amerikaanse moeder. Hij groeide op in Zwitserland, bracht zijn adolescentie door met zijn neef Gunter Sachs – later meneer Brigitte Bardot – en zijn vriend Alexander Socrates Onassis, zoon van Ari, later meneer Jacqueline Bouvier-Kennedy. 

Rikky bewoog zich met gemak en gratie in die kringen. Hij was een knappe man – in die tijd mocht het woord “man” nog gebruikt worden – en dus hing er altijd wel een knappe vrouw aan zijn arm, zeker toen hij in de Formule 1 was terechtgekomen. 

De actrice Marisa 


Berenson bijvoorbeeld, aan de vooravond van wereldroem voor haar rol in Barry Lyndon. Of anders Bianca Jagger. 

Het was wellicht geen wonder dat Rikky in de autoracerij terechtkwam. Hij debuteerde onder het pseudoniem Antonio Bronco omdat hij zichzelf en de familienaam niet belachelijk wilde maken. Maar er volgden al snel goede resultaten en dus werd Bronco afgevoerd en werd Frederick weer Rikky. In 1972 won hij het Britse Formule 3 kampioenschap met een Ensign. Illustere namen die hem op de erelijst waren voorgegaan waren onder meer Emerson Fittipaldi, Jackie Stewart en Jim Clark. Enig optimisme was dus gerechtvaardigd. 

Rikky, die bepaald niet onbemiddeld was, overtuigde Ensign-baas Mo Nunn ervan dat het tijd werd om naar de Formule 1 over te stappen. Mo wou niets liever en dus zag de Ensign N173 het levenslicht. N voor Nunn, 1 voor Formule 1, 73 voor 1973. De auto werd aangedreven door een Cosworth DFV – wat anders? – en maakte zijn debuut halverwege het seizoen 1973, in de Franse Grote Prijs op het ultrasnelle circuit van Paul Ricard. Huschke von Hanstein, een Duitse oud-coureur die in dienst was van Porsche en in de jaren 30 fier rondreed met de SS-runen op zijn race-overall, wedde met Rikky dat hij zijn Ensign niet zou gekwalificeerd krijgen. Rikky, die wel wist met wie hij te maken had, aanvaardde de weddenschap, doch enkel op voorwaarde dat de inzet vijfduizend Duitse Mark zou zijn, in die tijd een klein fortuin. Von Hanstein werd een beetje bleek om de neus maar kon, te midden van een stel getuigen, nog moeilijk terugkrabbelen.  

Rikki kwalificeerde zich vijfentwintigste. En laatste, maar dat laatste had geen belang. Hanstein verloor zijn weddenschap. 

Al snel bleek echter dat de Ensign een strijkijzer was en het model N174 van 1974 was al geen haar beter. Von Opel kreeg de kans om voor het prestigieuze Brabham team te rijden en greep die kans met beide handen. In Nijvel 1974, pas zijn tweede race voor het team en de eerste met de nieuwe BT44, kwalificeerde hij zich, zoals gezegd, 22ste op 32. Hij reed de race met een helm die hij van Mike Hailwood had geleend. Zijn eigen helm was verdwenen op de bagageband van Zaventem.  

Rikky was geen wereldkampioenmateriaal maar hij was een degelijke coureur. Halverwege de race had hij zich opgewerkt tot de veertiende plaats toen zijn auto de geest gaf. 

Hij reed daarna nog een half dozijn races en opeens verdween hij spoorloos van het toneel. Van alle tonelen. Het blijft allemaal zeer mistig wat er toen gebeurd is, zelfs nu, bijna een halve eeuw later… 

Naar “men” zegt/denkt/vermoedt, heeft Rikky zijn von Opel belangen nog een tijdje beheerd vanuit New York en Panama, sommigen denken vanuit Nepal. Uit Ensign-baas Mo Nunn’s laatste contact met Rikky (ergens in de tweede helft van de jaren 70) bleek dat hij van plan was zijn fortuin weg te schenken en een Boeddhistische monnik te worden. Algemeen wordt nu aangenomen dat von Opel’s levenspad hem naar een vredig bestaan heeft geleid in een klooster in Chang Mai, in Thailand.   

Als hij nog in leven is, en er is geen enkele reden om te denken dat hij dat niet meer is, is hij nu 73. 


Geen opmerkingen:

Een reactie posten