De Rat van Amsterdam – door Wim van Rooy
Deze bespreking verscheen op 17 oktober 2020 in Veren of Lood (verenoflood.nu)
Wim van Rooy las ‘De Rat van Amsterdam’ van Pieter
Waterdrinker, en vond er de grote Europese roman in waarop hij hoopte en naar verlangde.
Behalve in oorlogsgebied waar de rat de functie
heeft van opruimer van mijnen, en behalve in het boek over ratten van etholoog
en romanschrijver Maarten ’t Hart, die de rat als een sociaal levend (huis)dier
beschrijft, wordt over dat beest niet veel fraais verteld, en al zeker niet in
de literatuur.
De literaire rat
Ciske wordt in Piet Bakkers ‘Ciske de Rat’ (1941-1946) niet voor niets eerst
als een rat bestempeld, ook al blijkt achteraf dat het onhandelbare joch een
fijne mens wordt (dat moet oer-Hollands zijn). Harry Mulisch noemde een van
zijn boeken ‘Bericht aan de rattenkoning’, een verwijzing naar het fenomeen van
zwarte ratten (de rattus rattus) wier staarten in elkaar verknoopt zijn geraakt
en die daardoor niet meer uit elkaar kunnen en verhongeren. De koning van de
ratten resideert dan op de staarten die als troon fungeren, zo vertelt het de
mythe.
Ook bij heel wat literatoren is de rat een luguber
dier: bij Goethe in zijn Faust waar een reutelende rat mores wordt geleerd; bij
de Poolse auteur Jerzy Kosinski: in de controversiële roman ‘De geverfde
vogel’ (1966) gooit de ik-figuur een van zijn belagers in een put vol
ratten die er alleen een skelet van overlaten; bij de Amerikaanse pulpauteur
H.P.Lovecraft (vandaag als cultschrijver aanbeden door heel wat gecanoniseerde
romanciers) krioelen in het verhaal ‘The Rats in the Walls’ uit 1924 de
ratten tot gekmakens toe vooral in het mentale universum van het
hoofdpersonage; bij de Nederlandse romancier Ferdinand Bordewijk lopen er
meermaals ratten rond of wordt de rat in een of andere vergelijking betrokken
(‘…zijn krieloogjes keken met de wanhoop van een rat die wordt geworgd’); bij
Orwell is het zoals bij Kosinski een en al rattenwreedheid: in zijn roman ‘1984’
(die veel geciteerd maar nauwelijks begrepen wordt) wordt een kooi met
hongerige ratten over het hoofd van het hoofdpersonage getrokken. De roman ‘De
bende van Jan de Lichte’ van Louis Paul Boon, vertelt ons over iemand die
als een straatrat opgroeide en een criminele en wrede bendeleider werd: rat
wordt criminele rat.
Bij Luther is de paus de rattenkoning, de opperrat,
en na de Tweede Wereldoorlog noemde men de route die de nazi’s gebruikten om
naar Argentinië te ontsnappen de ‘Rattenroute’. In de film ‘The Death of
Stalin’ (2017), een zwarte komedie over de Stalin-terreur, spreekt Beria
over de slijmerig onderdanige Malenkov als een ‘rat zonder ruggengraat’,
terwijl Beria misschien wel de wreedste rat der ratten ooit was en daarom ook
een andere rat direct herkende. In Zweden – pour la petite histoire – wordt in
heel wat spreekwoorden of zegswijzen de kat vervangen door de rat: als de kat
van huis is, dansen de ratten, en: een rat in het nauw.
Moraal van de rat
Zoals bekend is Zweden al een hele tijd een gangsterparadijs van migranten-
maffiaclans met bomaanslagen en verkrachtingen à volonté. Het land, Zweden
genoemd, zou men dus in niet-versluierde taal als het rattenparadijs kunnen
bestempelen, een onorthodoxe omschrijving die in de krankzinnig geworden
verzorgingsstaat beslist niet langer oorbaar is, op straffe van beroepsverbod.
En last but not least: ik vermoed dat zelfs Rudy Kousbroek niets aaibaars over
de rat had kunnen vertellen. Hij attendeerde ons erop dat in de meeste oude literatuur
in verband met dieren niet wordt geobserveerd maar gemoraliseerd. Et voilà:
hier zijn we beland bij Nederlands scherpste moralist: Pieter Waterdrinker.
Nu immers is een nieuwe rat ten tonele verschenen,
een postmoderne rat die we nooit meer zullen vergeten: een rat uit Mokum! ‘De
rat van Amsterdam’ is de negende roman van één van de interessantste
Nederlandstalige schrijvers van de laatste decennia: Pieter Waterdrinker, een
chroniqueur die ik met een zekere wellustigheid vergelijk met de Amerikaanse
auteur Tom Wolfe, wiens romans er altijd weer in slagen de harde kern van
maatschappelijke problemen literair en met veel bravado een hoge status te
verlenen. Het hoofdpersonage van Waterdrinkers brisante vertelling waarschuwt
ons dan ook zonder omwegen: dit is geen maandverband- of feministenproza! En
inderdaad: wat we voorgeschoteld krijgen is een draaikolk van heftige opwinding
en stampede waarbij alle facetten van een op hol geslagen samenleving virtuoos
aan bod komen en waarin Amsterdam met zijn snobistische bobo-libertijns-rebelse
geest het nihilisme van de elites incarneert.
Waterdrinker woont al vijfentwintig jaar in Rusland
(zijn werk ‘Tsjaikovskistraat 40’ gaat erover) en van daaruit laat hij
zijn vrolijke en wervelende misantropie los op de ‘roofstaat aan de Noordzee’,
zoals hij Nederland noemt. Het perspectief dat hij daarbij hanteert is sui
generis. Zijn hoofdpersonage spaart Nederland niet, maar ook het Rusland dat
hij als ‘bewoner’ goed kent, krijgt geen carte blanche: elk land kent zijn eigen
toneelspel en leugens (p.20). Voor Waterdrinker is de mens immers het wezen dat
hij of zij overal en altijd al is geweest: een handige en schrandere
opportunist, een scharrelaar met – af en toe – een goede inborst, vol
hypocrisie en oneerlijkheid, maar meelijwekkend, ploeterend in de vuilnis van
het leven. Waterdrinker is een Hollandse Chamfort of La Rochefoucauld,
verfijnde denkers die de maat namen van het hoopje emoties dat de mens is, en
dat met een psychologie die elke contemporaine therapeut of zielenknijper tot
dilettant reduceert.
Men voelt in vele passages dat de auteur in al zijn
cynisme naar iets nobelers taalt, zeker als het dubieuze en dubbelzinnige
hoofdpersonage Ruben Katz het over zijn grote liefde Phaedra heeft, een vrouw
‘met een sudderende gekte in haar blik’ (p.245). Deze verre geliefde incarneert
onze onzekere en instabiele tijd en is dus ongrijpbaar, ‘vloeiend’ zou de
Poolse socioloog Zygmunt Bauman zeggen. Het barmhartige cynisme dat
Waterdrinkers proza kenmerkt, wordt gecounterd door hoop en liefde: het klinkt
melig, maar het is de grote kunst en kunde van de auteur – de stiel van
schrijver ligt hier in een ambachtelijke meesterhand – dat hij ons niet
verweesd en bitter achterlaat, ook al is zijn psychologische en sociologische
analyse van de postmoderne wereld er een van grote mistroostigheid. Hij voert
ons met sprezzatura en via een reeks uitgekiende stijlmiddelen die hun gelijke
niet kennen in de Nederlandse literatuur (die vaak damesliteratuur is), mee in
een avontuur dat ons de adem beneemt. Alleen een auteur als Peter Buwalda of
het idiosyncratische proza van Wessel te Gussinklo, kan de lezer zo verbluffen
en hem mee zuigen in een maalstroom waarin hij nu en dan kopje onder duikt.
Waterdrinkers roman is, vermoed ik, ten dele fictionele autobiografie, vooral
wanneer hij aan het moraliseren slaat in soms weldadig maar ook vaak
‘gewelddadig’ proza.
Ruben Katz
Het werk telt 590 bladzijden en vertelt het caleidoscopische verhaal van de
studieuze familie Katz die in 1990 vanuit Letland (dat tot Rusland behoorde)
met door corrupte ambtenaren vervalste paspoorten (die suggereren dat men Joods
is) naar Israël wil vluchten, maar uiteindelijk strandt in Amsterdam. Vanaf dan
worden deze nep- of crypto-Joden, die in het dom-naïeve Nederland al vlug de
A-status krijgen, overweldigd door een tsunami aan avonturen en verwikkelingen
met een duizelingwekkend karakter. Hun belevenissen worden met een dusdanige
vaart beschreven dat de auteur nu en dan auctorieel tussenbeide komt en
zichzelf voortdurend afremt door te stellen: “… maar we lopen op de zaken
vooruit”, zoals in een traditioneel-ouderwetse negentiende-eeuwse roman. Het is
een van de grote eigenschappen van deze bandjir aan verhalen dat de lezer dan
ongeduldig wordt en denkt: vertel het nu maar al, want ik ben zo razend
nieuwsgierig dat ik er bijna stendhaliaans opgewonden van raak.
De verteller van deze tintelende roman, de goocheme
Ruben Katz, doet zijn spannende verhaal vanuit een Nederlandse gevangenis, waar
hij voor fraude opgesloten zit; en passant merkt hij op dat de bajes vol
allochtonen en getinte jongens zit en dat vooral de koran er wordt uitgeleend.
Door de onnozele goedgelovigheid die uit de politieke correcte dogma’s straalt
is de gevangenis een oord van humanisme, mét TV op de kamer en met de nodige
intimidatie ten opzichte van de week gemaakte cipiers. Het zijn haast
onopgemerkt gesmokkelde zinnetjes die duidelijk maken dat de auteur zijn
kritische zin loslaat op een samenlevingsproblematiek die de mens met gezond
verstand in verbijstering en wanhoop achterlaat. Hij smeert het er nergens dik
op, ook al beschrijft hij bepaalde aspecten van de nieuwe morele liturgie
honderduit in een soort opwindingsdelirium. Tussen de regels echter maar soms
ook meer expliciet beschrijft hij het rattenkarakter van onze
infotainment-samenleving waarin we onszelf dood amuseren en waarin de hele
familie van Ruben Katz uiteindelijk kopje onder gaat en gek wordt, ieder op
zijn of haar manier.
Het leven als loterij
Ruben verneemt pas later wat zijn artistiek begaafde zusje overkwam wier
balletcarrière gefnuikt werd door een ruwe verkrachting, waarna ze zelfmoord
pleegde; zijn moeder werd geestesziek en de labiele intellectuele vader is een
fantast en wordt na hun vlucht uit het Letland van de Sovjet-Unie bedwelmd door
de nieuwe vrijheid. Ruben zelf wordt van moord beschuldigd op de
ongrijpbaar-schizofrene Phaedra Mudmann, dochter van de puissant rijke
oprichter én oplichter van de Nationale Armenloterij. Deze nieuwe loterij is
een ingenieuze vondst omdat ze continu een beroep doet op het schuldgevoel van
de hyperhumanistische christenmens maar anderen rijk maakt. Vader Mudmann is
als opperrat een filantropische zonnekoning, de vileinste rat onder de ratten
want zijn loterij als winstmachine is egoïsme vermomd als altruïsme,
psychopathologie vermomd als deugd.
Mudmann wordt gesecondeerd door een
pseudoreligieuze rat: een als orthodoxe priester uitgedoste Nederlander die met
zijn knuffelverschijning, zijn gewild-Slavische accent en zijn
goede-doelen-fetisjisme de laatste horde wegneemt voor de charitas van de domme
gutmensch in het uitgestrekte Filantropië, het van ostentatieve deugdzaamheid
doortrokken land waar migranten als halve heiligen worden voorgesteld en waar
moraal laaghangend fruit is. In die Nationale Armenloterij wordt Ruben Katz de
cynische bedenker van het grote graaien voor het zogenaamd ethisch goede,
waarbij het devies is ‘word een rat en laat het volk je keutels vreten’
(p.271). Het grote rattenbedrijf, dat ook bekend staat als ‘het bloembollenkoninkrijk
aan zee’, herbergt de knaagdierenadel en wordt via de Nationale Armenloterij,
die zogenaamd het heil van de mensheid en de aardbol beoogt, mede zijn
imperium, voorlopig toch, want het morele verval is imminent.
Deze loterij staat symbool voor de decadentie van
en het massale politiek-achterbakse gesjoemel en bedrog waarvan onze
samenleving doortrokken is, ze staat voor de synergie van de elites die
steevast op tijd de rangen sluiten; de Nationale Armenloterij – eigenlijk is
het woord ‘armenloterij’ een specifiek soort oxymoron – staat ook symbool voor
al die nep-goede doelen van een juridisch schimmenrijk die alleen maar een
geweten afkopen en anderen puissant rijk maken. We herkennen de personages uit
onze eigen politiek, maar Ruben Katz ziet ook de vele gelijkenissen met het
communisme dat men ontvlucht is en waarin ook de leugen regeerde.
Wie de achtereenvolgende linkiewinkie-bobo’s kent
van de (federale ) nationale Belgische loterij (en in Nederland zal het wel
niet veel anders zijn gezien de politiek correcte NGO’s die men steunt), en wie
de verhalen kent van de manier waarop hand- en spandiensten in de vorm van
sponsoring en stichtingen (in Nederland) aan de vrienden worden verleend,
krijgt eens te meer bewondering voor de auteur die dit soort organisaties en
hun perverse mechanismen als embleem koos voor alles wat grondig misloopt in
onze samenleving.
Geen uitweg
In dit razende relaas vertonen de tribulaties van Ruben Katz twee primaire
aspecten van de postmoderne waanzin: de corrupte Nationale Armenloterij met
zijn onzindelijke stichtingen en zijn orwelliaanse taalgebruik én de exotische
fake-peregrinatie van een maffe expeditie van verloren zielen die als
avontuurlijke en ondernemende Europeanen (en in zekere zin ook als fellow
travellers) naar Rusland gaan om aan de massa-immigratie in hun eigen land te
ontkomen. De avonturen van dat nieuwe narrenschip worden door de auteur ingebed
in een nihilistische era waarin de opportunistische ratten uit alle kieren en
gaten komen gekropen – en die uitgekookte en arglistige ratten zijn zowel bij
arm als bij rijk te vinden. Ze beginnen aan hun maatschappelijke sloopwerk
vanuit zowel gouden als gore riolen, vanuit de politiek en zijn chique
netwerken maar ook uit de giftige miasmen van het ordinaire duiken ze op. Ze
veranderen het voortreffelijke land dat Nederland ooit was in een plaats van
hebzucht en leugens: van Spinoza en Erasmus naar de verrotting van het hele
systeem.
Het is vooral die impliciete en vaak ook hilarische
beschrijving van de neergang van onze beschaving via het symbool van een uit
zijn postmoderne voegen gegroeide loterij, ooit opgevat als een edele bezigheid
waarvan ook de armen konden profiteren, dat Waterdrinker een hele maatschappij
te kakken zet. Terwijl zijn moeder hem altijd voorgehouden had dat hij wraak
moest nemen op het leven door gelukkig te zijn, bevindt Ruben Katz zich helaas
al te vlug in de deconfiture van een maatschappij die al lang geen samenleving
meer is en waarin een fake convivialiteit via grote tv-schermen door
influencers als nieuwe religie gecelebreerd wordt, zoiets als de narcistische
vertoning van ‘de warmste week’ van Vlaanderens pretzender VTM, waarbij de
media-croonies van de tv-poppenkast over elkaar heen buitelen tijdens de
olympiade van het deugden-narcisme, met de lachband op de achtergrond.
Eigenlijk is het in goedheid vermomde slechtheid (p.81).
Metamorfose
In deze roman wordt de lezer op briljante wijze het spektakel van het grote
bedrog ingeduwd, een superieure vorm van aftroggelarij waarin perceptie de
hoofdtoon vormt, de verwaande en perverse idee dat rijken de armen zouden
sponsoren. Het hele schouwspel echter is een spectaculaire en megalomane
cashmachine ten voordele van de gehaaide menslievenden van de bovenwereld – een
bovenwereld als een gemuteerde onderwereld die als broeinest van de
voorruitgang wordt voorgesteld, maar waarin zware criminelen met als dekmantel
de humaniteit van de boven ons gestelden en hun juridische spelletjes, al vlug
weer op een terrasje zitten, ‘met een consumptie erbij op kosten van de
samenleving’, een bovenwereld waarin de cipiers angst hebben en panisch zijn en
de gevangenen de baas omdat allerlei conventies en verdragen zoveel rechten
inhouden ten voordele van de penose dat een beetje crimineel alle gaten van het
systeem van buiten kent in een gevangenissysteem ‘zo poreus als koek’ (p.112)
en met mietjes als psychologische coaches.
Het collectieve schuldgevoel van de blanke-witte
man en uitgekookte advocaten voltooien het grote postmoderne toneel. Het klopt
wat de auteur schrijft: “De schepping is een krankzinnigengesticht vol
spiegels”. Het is in de zieke ingewanden van Amsterdam en zijn Nationale
Armenloterij dat het hoofdpersonage Ruben Ivanovitsj Katz belandt. Het
geïmmigreerde Russische jongetje komt er in een Mokum terecht dat al lang geen
Jiddisch of sociaaldemocratisch cachet meer bezit maar waar het perverse
boboïsme van de hoofdstedelijke arrogante bohemien-kaste (p.162) hoogtij viert.
Zijn aanvankelijke engagement en zijn edele dromen verkwanselt hij. Ze houden
geen stand tegen de verlokkingen van het regenteske rattendom en zijn morele
corruptie.
Aanvankelijk is deze wat schlemielige immigrant met
puistenkop zo gesloten als een oester. Gaande de weg echter voltrekt zich zijn
fatale Werdegang tot rat. Hij wordt immers een rat onder de ratten, een rat die
niet liegt maar de waarheid naar zijn hand zet en daardoor alles verliest. Het
zou een symbool kunnen zijn voor onze ‘affluent society’ zonder kern, en van
langsom meer zonder drang naar kennis. Zo organiseert het verdoemde Europa met
zijn ‘empathiewaan’ (het begrip is van de Nederlandse econoom Frits Bosch) zijn
eigen multiculturele zwendel. Het aanbidt op een ziekelijke manier de
verworpenen der aarde, waarbij dode kinderen de ultieme kers op de charitatieve
taart zijn (p.159). Europa als hedonistisch belevenispark voltrekt op alle
mogelijke manieren de eigen ondergang en trekt daarbij alle maatschappelijke
actoren – van hoog tot laag, van links tot rechts – nolens volens in het bad
van Nietzsches laatste mens. De wereld wordt geregeerd door ratten. Daarover
gaat deze blitse roman die de loopgraven beschrijft in de geesten van de
mensen, alle mensen, en waarbij achter hun menslievendheid en empathie de
knaagdierentanden zitten van het rattendom.
Synthese
Gregor Samsa, het hoofdpersonage in de novelle ‘Die Verwandlung’ (de
gedaanteverwisseling) van Franz Kafka, is op een morgen in een kakkerlak
veranderd. Kafka krijgt in Pieter Waterdrinkers roman concurrentie van Ruben
Katz. Die denkt de postmoderne gekte te overwinnen door rat te worden. Het is
de rat uit het riool van de wereld, in casu Amsterdam, waar de groene gekken
aan het bewind zijn. In het gouden mondiale buizenstelsel, en alvast ook in dat
van het dolgedraaide politiek correcte Mokum, zetelt immers de
authentiek-regenteske macht met haar mondaine society rattengedrag, en die
ongenaakbare macht kijkt vanuit zijn ‘Kingdome of Darkness’ uit Hobbes’
‘Leviathan’ meelijwekkend en met onaantastbare bravado neer op de ordinaire
rat. Geef ervaringsexpert Ruben Katz, die uiteindelijk metamorfoseert van een
rat mét obsceen veel luxe in een rat zonder geld, maar eens ongelijk met zijn
rattenmetafoor!
In Europa heerst vandaag de duisternis van het
tijdelijke genot. Een schijnsel van nieuw licht (p.385) zoals Goethe of
Chateaubriand dat nog hoopten te ontwaren, is nog bijlange niet in zicht. De
Verlichting is uitgewerkt, de EU is een imperiale machine, Europa wordt van
binnenuit weggevreten (p.401) en het nagelaten spirituele gat wordt opgevuld
met trivia, naakte hebzucht, politiek correcte krankzinnigheid en
islamitisch-criminele flauwekul. ‘Het oude Europa was op drift, iedereen was
almaar onderweg’ (p.418) en een Arabisch uiterlijk had in sommige Europese
wijken zo zijn voordelen (p.417).
Met ‘De rat van Amsterdam’ beschreef Pieter
Waterdrinker deze nihilistische situatie en daarom bestempel ik zijn laatste
werk dan ook als de grote Europese roman waarvan we al zo lang dromen.
De rat van Amsterdam – Pieter
Waterdrinker, Nijgh & Van
Ditmar


Kanjer van een recensie! Congrats.
BeantwoordenVerwijderen